• | |

    Doorgaan? Doodgaan?

    Een paar lege dagen in mijn agenda – om even niet veel te doen. Althans: er valt wel wat te doen, maar daarvoor heb ik wel het een en ander te overwinnen. Ik moet met mijn boek Terugaan, om verder te kunnen aan het werk. Ik moet weer contact opnemen met Marieke, de vormgeefster. Ik moet contact leggen met een drukker. Ik moet zorgen dat het boek op 17 september a.s. beschikbaar is. Ik kan dat niet meer uitstellen. Het moet echt. Maar wat vind ik het vreselijk om weer in de tekst van Teruggaan, om verder te kunnen te duiken. Dat allemaal nog eens door mijn handen te laten gaan. Tekst die al drie jaar grotendeels klaar is. Sta ik er nog wel achter? Kan dat zo in boekvorm gezet worden? Moeten er nog veranderingen komen? Welke veranderingen? Waarom heb ik het mezelf aan gedaan twaalf boeken te gaan schrijven. Al zijn ze allemaal van enigszins bescheiden omvang: het moet wel allemaal geschreven worden. De grafisch vormgeefster moet weer aan het werk. De boekvormgeefster moet weer aan het werk. Ik moet weer aan het werk. Wat is dat toch, deze innerlijke drive, die altijd weer de kop opsteekt en waarschijnlijk pas tevreden is als ik de hele Amor Fati-reeks, in alle twaalf kleuren en met alle twaalf illustraties op de voorzijde, in mijn handen houd. Die drive die dan waarschijnlijk al weer de volgende plannen klaar heeft liggen. Doorgaan? Doodgaan? Daar heb ik helemaal geen tijd voor! Ik voel weer het besluit dat ik ooit als kind heb genomen: ik word 92. Maar ja! Doorgaan dus. Denken. Bellen. Denken. Praten. Denken. Beslissen. Denken. Afspraken maken. En eigenlijk wil ik het niet. Maar aller-eigenlijkst wil ik het wel.

  • |

    O.K.

    Dr. S. kijkt me een beetje lachend aan als ik haar spreekkamer binnen kom. Dat ging niet helemaal goed hè, met de oncoloog?, zegt ze. Even ben ik van mijn à propos: niet aan gedacht dat zoiets zich zo snel kan verbreiden, zonder dat je dat in de gaten hebt en zonder dat je er nog invloed op hebt. Ik wil niet meteen laten merken dat ik eigenlijk wel een beetje boos ben over die twee mislukte gesprekken met de oncoloog. Of misschien moet ik zeggen: verontwaardigd. Of misschien denk ik eigenlijk: en als je nu niet, zoals ik, voor de derde keer in dit schuitje zit? Laat je je dan nog meer overdonderen? Dan denk je toch eerder dan ik nu – nou ja: de oncoloog zal het wel beter weten dan ik, want wat weet ik nu eigenlijk van kanker? Ervaringsdeskundig: ja! Maar wat heb je daar aan? Weet je, zegt ze tegen me, zoals jij er mee omgaat, dat is nogal ongewoon. De dokter is daar niet aan gewend, en weet ook eigenlijk niet goed hoe hij er mee om moet gaan. Dat brengt het terug naar menselijke proporties – en de boosheid valt ineens van me af. We hebben een prettig gesprek. Ze volgt mijn gedachtegang. Wat ik zelf zou doen weet ik niet, zegt ze, maar veel dokters nemen dezelfde beslissing als jij. We spreken af dat zij de vervolgcontroles zal gaan doen, dat doet ze inmiddels al ruim vijftien jaar – vanaf nu zal er ook een jaarlijkse MRI-scan gemaakt worden.
    Wat een geluk heb ik toch, dat ik zoveel innerlijk werk heb verzet. Dat ik de weg in mezelf goed ken en dat ik al vaker ongewone beslissingen heb genomen, realiseer ik me, als ik terug rijd naar huis.
    Maar wat ik me ook realiseer is dat ik nu dus klaar ben. Het technische deel dan, tenminste. En nu?
    Nou ja – hoe dan ook. Komend weekend ben ik in Amsterdam. Onze (twee)jaarlijkse bijeenkomst, J. (Amsterdam), M. (Bremen) en ik (Nunspeet). Al zo n dertig jaar kennen we elkaar inmiddels, sinds onze cursus Italiaans in Florence. Van het kleine groepje van toen hebben wij drieen altijd contact gehouden. En nu dus, ter ere van het nieuwe huis van J.: een lang weekend Amsterdam.

  • Schrikreacties

    Een rustig weekend, hoewel ik wel onrust voel over het komende gesprek met de oncoloog. Weet ik het echt allemaal wel zo zeker? Heb ik echt besloten? Wat ben ik blij met het gesprek dat ik op 13 mei met H. heb mogen hebben. Wat heeft het mij veel gebracht dat hij, zowel vanuit aanwezigheid als mens als vanuit zijn deskundigheid als huisarts, naar mij heeft willen en kunnen luisteren. Mij heeft geholpen gedachten onder woorden te brengen en die uit te spreken, zodat ik mijn eigen gedachtegang kon volgen, mijn eigen aarzelingen kon horen en mijn eigen conclusies heb kunnen trekken.
    Een paar mensen heb ik verteld over mijn komende afspraak met mijn eigen huisarts over zijn standpunt over euthanasie. Waar ik al een beetje bang voor was gebeurde een paar keer: een aantal van de mensen die ik erover vertelde trok de conclusie dat ik niet meer tot positief denken in staat ben. Dat ik me neerleg bij een naderende dood. Dat ik niet meer bereid ben te vechten (wat dat dan ook maar zou mogen zijn). Ik was erop voorbereid, maar ik vind deze reacties toch elke keer weer lastig. Wat een ingewikkelde kant is dat toch aan de steun van vrienden. Het is zo fijn dat ze er zijn, ik voel me zo gedragen door hun liefde en hun aandacht. Maar o, wat vind ik deze reacties toch lastig om mee om te gaan!

  • Ik sta er niet achter

    Ik heb er een nachtje over geslapen, dat had ik nodig. Gisteren wist ik: als ik vannacht wakker schrik en ik ga van alles verzinnen om mezelf gerust te stellen, dan heb ik niet het goede besluit genomen (om geen nabehandelingen aan te gaan). Het tegendeel gebeurt. Halverwege de nacht word ik wakker. Ik lig stil, op m’n rug en voel me heel rustig. Dan, plotsteling, is het alsof op allerlei plekken in mijn lijf energievonkjes ontstaan. Alsof er op een heleboel plaatsen in mijn lijf kleine mannetjes en vrouwtjes vreugdendansjes maken. Ze doet het niet! Ze doet het niet!
    Steeds weer in de afgelopen tijd heb ik het gevoel gehad dat er met chemo- en ook met hormoontherapie zoveel in mijn lijf kapot wordt gemaakt wat nu goed is en gezond, dat er eerder ruimte wordt gemaakt voor nieuwe kanker, dan dat er voor wordt gezorgd dat er geen nieuwe kanker komt. Ik ontleen geen enkel gevoel van veiligheid aan het idee dat het me zal helpen. Integendeel. En niemand die me zeggen kan of het onomkoombaar is. Niemand die weet of het echt nodig is. Te vaak zijn ook de woorden door mee heen gegaan die de oncologe twee jaar geleden tegen me sprak: mevrouw, u moet er helemaal achter staan. Als u er niet helemaal achter staat, volbrengt u het niet. Daarvoor is het veel te zwaar. En als u het niet volbrengt, dan is alles wat u wel hebt ondergaan voor niets geweest. Ik voel dat het besluit dat ik nu heb genomen goed is. Ik hoop dat het ook goed blijft voelen, al weet ik dat twijfel zo nu en dan de kop zal opsteken. Maar ook dan herinner ik me haar woorden: mevrouw, u kunt altijd bij ons terugkomen. Vanochtend bel ik het ziekenhuis, en ik zeg dat ik het niet doe.
    Zo gauw ik het ziekenhuis telefonisch kan bereiken bel ik op. Ik vraag naar de oncologieverpleegkundige die ik al langer ken en krijg haar aan de telefoon. Dokter T. heeft me gisteren een week bedenktijd gegeven, maar die heb ik niet nodig. Ik doe het niet. Zeg maar wat ik nu verder moet doen. Dr T. hoef ik niet meer te spreken. We kennen elkaar toch niet. De verpleegkundige raadt me aan wel met dr. T. te gaan praten. Beter voor het proces, zegt ze, om het hem zelf te zeggen. Daar heeft ze vast gelijk in. Maar het afrondingsgesprek wil ik graag met dr. S. zeg ik. Dat kan. Ze maakt twee afspraken voor me. Komende dinsdag dr. T. en komende woensdag dr. S.