Als grammatica ineens Verlaat Verdriet vertelt.

Soms kan één zin je ineens stilzetten.
De zin schreef ik oorspronkelijk helemaal niet voor een blog. Ik schreef de zin voor mijn persoonlijk pelgrimsverhaal over de Camino del Amor, dat ik heb ingezonden voor publikatie in de Jacobsstaf, het tijdschrift van het Nederlands Genootschap van Sint Jacob. Het verhaal ligt momenteel bij de redactie ter beoordeling.
In het pelgrimsverhaal staat de volgende zin:
“Een verlies dat ik jarenlang diep had weggestopt, waarover ik bijna nooit sprak en dat toch altijd met me meegaat.”
Ik schreef hem op dat moment zonder stil te staan bij wat er taalkundig eigenlijk gebeurde. Maar toen ik de zin later opnieuw las, bleef hij bij mij hangen. Niet alleen vanwege de betekenis, maar vanwege de werkwoordstijden.
Er staan namelijk drie verschillende tijden in:
had weggestopt → voltooid verleden, sprak → verleden tijd, meegaat → tegenwoordige tijd
En hoe langer ik ernaar kijk, hoe meer ik het gevoel krijg dat deze drie werkwoordstijden samen iets vertellen over mijn proces van Verlaat Verdriet. Alsof de grammatica van de zin een levensverhaal vertelt.
“Had weggestopt”
Het eerste werkwoord staat in de voltooid verleden tijd: had weggestopt.
Daar zit al een wereld in. Het suggereert dat het gebeurd is, dat het achter mij ligt. Ik heb het weggestopt. Het lijkt afgerond — alsof ik op een bepaald moment het verdriet een plek heb gegeven ver weg, het is niet van mij.
“Sprak”
Dan volgt: waarover ik bijna nooit sprak. Ook dat is verleden tijd.
Niet één keer, niet gedurende een periode, maar bijna nooit. Het verlies was er wel, maar het kreeg geen woorden. Kenmerkend voor veel mensen die op jonge leeftijd een ouder verliezen: je groeit op, je leert functioneren, je wil er niet te veel over praten, want dan is het er niet, denk je. En die vaardigheid, het wegstoppen, het zwijgen, neem je mee. Ook later, als je volwassen wordt, blijf je er goed in, soms zonder het zelf te merken. Het verdriet wordt iets waar je niet over spreekt, of niet over wil spreken.
En dan ineens: “meegaat”
Het laatste werkwoord staat in de tegenwoordige tijd. Niet meeging, niet was meegegaan, maar: meegaat.
Daar zit voor mij de hele betekenis van Verlaat Verdriet in. Met één werkwoord trekt de zin het verleden naar het heden. Het verlies dat ik ooit had weggestopt, waarover ik bijna nooit sprak, gaat nog steeds met me mee. Vandaag ook nog. Maar juist omdat het meegaat en ik er nu wél over praat, heeft het een andere vorm gekregen.
Het verschil wordt duidelijk als ik de zin anders had geschreven:
Een verlies dat ik jarenlang diep had weggestopt, waarover ik bijna nooit sprak en dat met mij meeging.
Dat schrijf ik niet. Dat is ook niet de waarheid. Ik schrijf: dat toch altijd met me meegaat. Altijd. Ook vandaag.
Drie tijden, één levensverhaal
had weggestopt → voltooid verleden tijd, sprak → verleden tijd, meegaat → tegenwoordige tijd
Achter elkaar gezet ontstaat er bijna vanzelf een levensverhaal: eerst was er het verlies, daarna werd het weggestopt, er werd niet over gesproken en toch is het niet in het verleden gebleven. Het gaat mee.
De grammatica zegt eigenlijk iets wat ik jarenlang zelf niet goed onder woorden kon brengen.
