• Verlaat Verdriet Veranderkracht

    ‘Oh, je bent rouwbegeleider’, hoor ik vaak mensen zeggen als ik ze antwoord geef op de vraag ‘Wat doe jij eigenlijk voor werk?’ Altijd voel ik dan meteen een NEE. En vervolgens natuurlijk toch een JA, want een verlaat rouwproces is een rouwproces en iemand die zo’n proces begeleidt is (ook) rouwbegeleider. Waarom dan toch altijd weer die innerlijke  NEE?

    Is dat omdat ik zo weinig affiniteit voel met de wereld van de professionele rouwbegeleiding? De wereld van moeten, van de verwerkdwang die voort is gekomen uit de lineaire tijdsopvatting? De wereld van de sentimenten? Van de rouwparafernalia? Van de clichés?

    Is dat omdat ik (nog steeds) zo weinig erkenning hoor en zie voor het feit dat het verlies van een ouder in je kindertijd een primordiaal verlies is, een verlies van de eerste orde? Omdat ook in de professionele rouwwereld nog altijd de opvatting lijkt te heersen dat het verlies van een kind voor een ouder van een andere orde is dan het verlies van een ouder in je kindertijd?

    Is dat omdat ik in die wereld nog altijd onvoldoende (h)erkenning zie voor de gevolgen van jong ouderverlies? Omdat ik vind dat Verlaat Verdriet nog altijd onvoldoende recht wordt gedaan?

    Ook.

    Maar:

    In mij is nu ook het weten dat een verlaat rouwproces veel meer en veel omvangrijker is dan alleen een rouwproces. Een verlaat rouwpoces gaat ook – en eigenlijk vooral – om het aanbrengen van veranderingen in wie je bent geworden als gevolg van het vroege verlies van je ouder. In je identiteit, dus.

    Veranderkracht

    Vorige week viel mijn oog op het woord veranderkracht.

    Dat is het.

    Een verlaat rouwproces vraagt niet alleen de moed om te rouwen om een verlies dat al lang geleden heeft plaatsgevonden, een verlaat rouwproces vraagt vooral moed om veranderingen in jezelf aan te brengen, en de kracht om jezelf steeds weer te verleiden die veranderingen tot een goed einde te brengen.

    Veranderkracht.

    Verlaat Verdriet Veranderkracht.

  • Kritisch verliesmoment

    Vanaf het allereerste begin van mijn Verlaat Verdriet-werk ben ik gefascineerd geweest door de overeenkomende kenmerken van Verlaat Verdriet-ers, ongeacht de leeftijd die ze hadden toen ze hun ouder verloren. Ik weet het: er zijn allerlei gangbare ideeën over ontwikkelingsstadia en leeftijdsfasen, gekoppeld aan allerlei ideeën over de invloed die een bepaalde leeftijd zou hebben op de manier waarop een kind om zou gaan met het verlies van een ouder. (Op die leeftijd hebben kinderen nog geen benul van wat de dood is (hoeveel volwassenen hebben dat trouwens wel? En wat denken die volwassenen dan? En hoe gaan die volwassenen dan om met het gegeven dood?), op die leeftijd hebben kinderen daar wel benul van, op die leeftijd hebben ze er nog meer benul van enzovoort enzovoort).

    Maar hoe komt het toch dat ik daar in mijn werk zo weinig van terugzie (of terughoor, moet ik eigenlijk zeggen)? Hoe is het toch mogelijk dat Verlaat Verdriet-ers altijd dezelfde dingen zeggen, of ze nu -1 jaar waren, 1 jaar, 2 jaar, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19 of 20? Wat is daarvan het geheim?

    Bij de meeste Verlaat Verdrieters, die ik in de loop van de jaren heb ontmoet, staat de verliesleeftijd in hun ziel gekerfd. De leeftijd die ze hadden toen hun ouder overleed heeft als het ware als een guillotine hun ziel doorsneden. Staat als een brandmerk in hun ziel gebrand. Bijna iedereen weet – zonder een moment te aarzelen – de leeftijd te noemen die zij/hij had op het moment dat de ouder overleed.

    En altijd noemen Verlaat Verdriet-ers dezelfde kenmerken: je altijd aanpassen, geen grenzen kunnen stellen, abrupt de verbinding kunnen verbreken, je vaak overvallen voelen door gevoelens van machteloosheid, een basaal gebrek aan zelfvertrouwen, weinig vertrouwen hebben in de toekomst, enzovoort, enzovoort (lees meer: Verlaat Verdriet).

    Ik heb mij in de loop van de jaren georiënteerd op en gezocht in de ontwikkelingspsychologie (als voormalig lerares in bezit van pedagogisch getuigschrift had ik daar in ieder geval al enig idee van), onder meer bij de ontwikkelingsstadia van Eriksson. Eriksson bracht me veel, maar toch vond ik ook bij hem nooit een antwoord op die kwestie dat mij voldoende bevredigde. En dus bleef bij mij nog steeds de vraag knagen: hoe is het mogelijk dat Verlaat Verdriet-ers altijd op dezelfde manier vertellen over de impact die de vroege dood van hun ouder op hen heeft gehad, ongeacht waar ze vandaan komen, welke leeftijd ze hadden toen hun ouder overleed, welke leeftijd ze nu hebben, op welke wijze de ouder overleed, welk opleidingsniveau ze hebben?

    Initiatie-leeftijden

    Wat mij wel verder bracht is de oeroude kennis die mensen altijd hebben gehad – ook al lang voordat kennis werd gerationaliseerd en schriftelijk werd doorgegeven – over momenten waarop een kind als totaal organisme rijp is voor een overgang naar een andere staat van zijn: initiatie-leeftijden.

    Toen viel het kwartje: er moet iets bestaan als het kritische verlies moment en het kritische verliesmoment heeft meer invloed op ontstaan en diepte van de ruptuur dan welke leeftijds-, ontwikkelings-, of omgevingsfactoren dan ook.

  • Toeval?

    Drie weken geleden heb ik op Terschelling een middag in mijn tuintje gewerkt, op oude rubberlaarzen waarvan ik allang weet dat ze eigenlijk weg moeten. De volgende dag loop ik op het strand, en ik voel een pijnscheut in m’n knie. Daarna nog een. En daarna nog veel meer. Maar ik kan er doorheen lopen – en dat doe ik.

    De volgende middag ga ik cranberries plukken. Het is nat in de Koegelwieck. Ik doet m’n regenbroek aan en – alweer – m’n oude rubberlaarzen. En de volgende dag nog eens.

    Als ik twee dagen later naar huis reis, kan ik bijna niet lopen van de pijn in m’n linkerknie. ‘Sukkel – eigen schuld, dikke bult’, denk ik. ‘Gaat wel weer over.’ Maar, helaas: het gaat niet over. Een week later zit ik bij de dokter. Ik vraag hem of het verstandig is iets verder te kijken dan alleen die knie. ‘Je heupen staan goed’, zegt hij. ‘Het lijkt me niet nodig.’ Wel constateert hij een ontsteking in m’n knie en schrijft ontstekingsremmers voor. Ik kom in een vicieuze cirkel terecht: pijn -> pil -> minder pijn -> meer lopen & staan  -> meer pijn -> pil -> minder pijn -> meer lopen in plaats van rust nemen -> meer pijn -> enzovoort enzovoort.

    Als ik de tijd neem eens na te denken realiseer ik me: dit is de zoveelste keer dit jaar. Eerst pijn in m’n liezen, totdat ik bijna niet meer kon lopen. Toen pijn in m’n heupen, totdat ik bijna niet meer kon lopen. Nu pijn in m’n linkerknie en weer kan ik bijna niet lopen. En dat allemaal sinds de borstamputatie in 2011. Toeval?

    Een vriend van me geeft me een hint. Podoposturale therapie. In Elburg zit een man die een praktijk heeft als podoposturaal therapeut. Vanochtend had ik een afspraak met hem. Hij constateert een disbalans in mijn lijf, in de manier waarop ik sta en bevestigt mijn idee dat dit een gevolg is van de borstamputatie van anderhalf jaar geleden (en de eerdere ingrepen die ik onderging in verband met borstkanker). Hij schrijft me inlegzooltjes voor. Volgende week kan ik ze ophalen. Met een beetje geluk hervindt mijn lijf – dank zij deze inlegzooltjes – balans. Anders zal ik langer met de zooltjes moeten doen. Maar dat zie ik later wel weer.

     

  • Voortgeschopt als een steen

    Vanavond rijd ik op de fiets uit het dorp naar huis. Het is donker, en een beetje koud. November, dus. Onderweg zie ik een jonge vrouw lopen. Ze loopt alleen, een beetje aan de kant van de weg. Ze zal ergens midden twintig zijn, zie ik in de gauwigheid. En ze ziet er verloren uit.

    Ineens ben ik veertig jaar terug in tijd en ben ik zelf de vrouw die daar loopt. Groningen. In mijn studententijd. In november. In de zware zoete lucht van de suikerfabriek. De lucht die in Groningen Stad de herfst geur geeft. Ik zwerf doelloos over straat, zoals zo vaak. Ik kijk naar binnen, in de huizen waar licht brandt. Waar ik mensen in de warmte en het licht zie zitten.

    Vanavond voel ik het zoals het was. Ik buiten. Op straat. In de kou. Verloren. Wanhopig verlangend naar een thuis. Naar warmte. Naar licht. Intens eenzaam (waarom?). Intens verlangend (waarnaar?). Intens verdrietig (waarom?). Intens boos (waarom?).

    In ben het zelf die daar (in Groningen, in de herfst, in de avond, veertig jaar geleden) loopt en voel nu – op 12 november 2012 –  wat er toen in werkelijkheid met mij aan de hand was: afgescheiden zijn en wanhopig op zoek naar verbinding. Zonder nu de verwarde kluwens van gevoelens – boosheid, verdriet, eenzaamheid, schaamte, onlust, onrust, tekort en verlangen – nog te hoeven voelen. Gewoon zoals het toen was. Afgescheidenheid.

    Ik denk aan een gedicht van Leonidas van Tarente, geschreven in de derde eeuw BC, dat altijd weer ergens in mijn leven opduikt

    Laat je niet kwellen, o mens,

    door’t lot dat je doemde tot zwerven,

    voort geschopt als een steen/rollend land in land uit.

    Laat je niet langer meer kwellen, nu je eind’lijk

    een hut hebt gevonden,

    droog, en verwarmd door een vuur / ook al is

    dat maar klein.

    Bak er een gerstekoek in

    van grof gezeefd meel,

    dat tevoren

    in een ruwstenen trog /

    door jou zelf is gekneed.

    Als je de maaltijd dan ook

    met wat zout of wat tijm

    weet te kruiden

    of met een korreltje zout /

    menslief, wat wil je nog meer.