• | |

    Ruimte voor rouw: tussen verbinden en loslaten

    Kijk, er zit beweging in!’ was het eerste dat bij me opkwam toen ik de titel las van het congres dat het null volgende maand organiseert – Rouw: tussen verbinden en loslaten.

    Komt er eindelijk ruimte in de fasen-gerichte opvattingen van rouw(en) tot nu toe?
    De manier van denken die zo bepalend is geweest voor de wijze waarop nu wordt gedacht – en wordt omgegaan – met rouw en vooral met rouwende mensen? Je moet een verlies verwerken. Je moet het verlies een plaats geven. Je moet verder met je leven. Komt er eindelijk ruimte voor opvattingen over wat een mens nodig heeft bij rouw – tijd, ruimte, aandacht, geduld, liefde – in plaats van opvattingen over wat een mens moet presteren bij rouw?

    Een verlaat rouwproces is een alternerend proces, laat ik mijn Verlaat Verdriet-cliënten graag zien aan de hand van een eenvoudig schema. Een alternerend – een afwisselend – proces. Tussen verbinden en loslaten. Tussen verwerken en helen. Tussen vreugde en verdriet. Tussen gevoel en verstand. Tussen rouwen en veranderen.

    Vanaf deze plaats nodig ik de LSR graag uit: neem alsjeblieft het voortouw in deze ontwikkeling! Ruimte voor rouw; ruimte voor verlate rouw; ruimte voor Verlaat Verdriet!

  • | |

    Vasalis

    En niet het snijden doet zo’n pijn,
    maar het afgesneden zijn  *

    Wie kent niet deze dichtregels van M. Vasalis?

    Gisteren kwam ik andere – ongetwijfeld ook hele bekende, maar mij toe nu toe niet bekende – dichtregels tegen van deze dichteres. Dichtregels die me niet alleen aanspreken, maar die me ook zo heel bekend voorkomen.

    Ik wil ze graag me je delen.

     ‘Steen’

    Verdriet kit al mijn krachten samen,
    Zodat ik roerloos word als steen.
    Mijn hele wezen wordt materie,
    een ondoordringbaar star mysterie,
    o sla de rots, opdat ik ween

     

     

    *

    Sotto Voce
    Zoveel soorten van verdriet
    ik noem ze niet
    Maar één, het afstand doen en scheiden
    En niet het snijden doet zo´n pijn,
    maar het afgesneden zijn.

    Nog is het mooi, ´t geraamte van een blad,
    vlinderlicht rustend op de aarde,
    alleen nog maar zijn wezen waard.
    Maar tussen de aderen van het lijden
    niet meer om u mee te verblijden:
    mazen van uw afwezigheid
    bijeengehouden door wat pijn
    en groter wordend met de tijd.

    Arm en beschaamd zo arm te zijn.

     

    M. Vasalis
    1909-1998. Pseudoniem van Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans;
    arts en kinderpsychiater.

  • |

    Is mijn smart niet voldoende?

    Vanochtend kwam ik op het web een artikel tegen van Ide Wolzak, ter gelegenheid van het symposium Eigen-wijs rouwen, 6 oktober 2011 (Vereniging Ouders van een Overleden Kind): Een eigen-wijs verhaal; over rouwervaringen en ‘libelle-psychologie 

    In dat artikel kwam ik een citaat tegen uit een boek van Elie Wiesel dat ik graag aan je door wil geven:

    Toen Rabbi Johannan, zoon van Zakkai, zijn zoon verloor, kwamen zijn leerlingen hem troosten.
    Rabbi Eliëzer herinnerde hem eraan dat hetzelfde ongeluk Adam had getroffen en die had zijn smart weten te overwinnen.
    Maar Rabbi Johannan, zoon van Zakkai, antwoordde: Is mijn eigen smart niet voldoende? Waarom moet die van Adam erbij gehaald worden?

    Rabbi Joshua herinnerde hem aan de beproevingen die Job had moeten doorstaan, en die had zich laten troosten.
    Maar Rabbi Johannan, zoon van Zakkai, antwoordde: Is mijn eigen leed al niet voldoende? Waarom moet zo nodig dat van Job er nog bij gehaald worden?

    Rabbi Josse herinnert hem aan de tragedie van de hogepriester Aäron die zijn beide zonen zag sterven.
    En Rabbi Johannan, zoon van Zakkai, antwoordde: Is mijn eigen hartzeer al niet voldoende? Waarom moet dat van Aäron er nog bij gehaald worden?

    Elie Wiesel
    Bijbels eerbetoon. Portretten en legendes.
    Gooi en Sticht
    Hilversum 1976
    Blz 170

  • |

    Eindelijk tijd voor ruimte?

    De afgelopen vijftien/twintig jaar zijn we ongeveer letterlijk doodgegooid met aandacht voor verliesverwerken. Voor rouwen. Na lange tijden van zwijgen over de dood. Van zwijgen over gevoelens. Van de overtuiging, dat wie niet huilde bij een verlies, dat verlies ‘droeg als een man’. Flink was. Sterk was.

    Daaropvolgend kwam een tijd waarin verliesverwerken een verplichting werd, gebaseerd op het lineaire vooruitgangsdenken. Je lijdt een verlies. Je verwerkt dat verlies. Je laat het verlies achter je. Je gaat door met je leven, als mooier, beter, wijzer, rijker mens. Termen als ‘gestagneerde rouw’ en ‘pathologische rouw’ werden geïntroduceerd. ‘Er niet in blijven hangen’, op straffe van minachting. Rouwdwang. Zo groot dat de term ‘rouwverwerken’  een breed geaccepteerde term is geworden. Vooruit! Flink zijn! Het leven gaat door!

    Lang was men de overtuiging toegedaan dat kinderen niet konden rouwen. In mijn eigen leven – mijn moeder overleed in 1957 – heb ik mij daar veel over afgevraagd. Helaas heb ik mijn vragen nooit meer kunnen delen met mijn vader. Over mijn moeder spraken we niet meer. Niemand die het aandurfde om dat verdriet weer boven te halen. En toen ik eindelijk zover was dat ik het had gekund, leefde mijn vader allang niet meer. Wat mijn vader allemaal precies heeft gedacht: ik weet het niet. Dat mijn vader geen holbewoner was die er geen flauw benul van had hoe je met kinderen om moest gaan, dat weet ik wel heel zeker. ‘Ik hoop de kinderen hiermee een trauma te hebben bespaard’ motiveert hij in nagelaten geschriften zijn besluit om mij (acht jaar) en mijn drie jaar jongere broertje niet mee te nemen naar de crematie. ‘Samen met Jantje stonden jullie op de stoep en zwaaiden ons uit. Alsof het een hele gewone dag was’.

    In dezelfde afgelopen twintig jaar is er aandacht gekomen voor kinderen en rouw. Veel aandacht. Heel veel aandacht. Cursussen. Trainingen. Opleidingen. Boeken. Lezingen. Symposia. Bordspelen. Enzovoort. Enzovoort. Veel belangstelling. Met name voor het sentimentele deel. Het is toch zielig, als een moeder/een vader sterft. Maar betekent dat, dat er in al die tijd ook belangstelling is geweest voor de werkelijkheid van het vroege verlies van een ouder?
    In vrees van niet.
    In ieder geval niet zo lang het denken over rouwen, over verlies-en verdrietverwerken, over ‘rouwverwerking’ is gebaseerd op het lineaire denken: je moet het verlies verwerken, achter je laten, doorgaan met je leven als mooier, beter, wijzer, rijker mens.

    Langzamerhand zie ik – gelukkig – een verandering komen in die, op illusies gebaseerde en op prestaties gerichte, manier van denken. Er komt ruimte voor een meer realistische manier van denken over rouwen. Een manier van denken met meer werkelijkheidszin: een ingrijpend verlies maakt deel uit van je leven. Van jou. Van je levensverhaal. Eindelijk komt er ruimte om een ingrijpend verlies werkelijk een plaats te geven in je leven.

    Naar ik hoop betekent dit, dat eindelijk de tijd is aangebroken die kinderen niet alleen de erkenning van de realiteit van het ingrijpende verlies van een ouder biedt, maar ook de ruimte dat verlies deel uit te laten maken van hun leven. Van hun ontwikkeling. Van hun levensverhaal.
    De ruimte het verlies een plaats te geven in hun leven, zonder altijd de dwang te voelen dat er verwerkt moet worden. ‘Het moet nu maar eens over zijn’.  ‘Je moet toch verder met je leven.’ Of – erger nog – de quasi begripvolle opmerking: ‘Het kan in latere fasen van het leven weer opspelen.’

    Zodat je als kind de ruimte krijgt die je nodig hebt. Dus ook de ruimte om ongetwijfeld goedbedoelende en/of daarvoor opgeleide ‘helpers’ af te wijzen. En de ruimte om te kunnen zeggen ‘ik heb er geen last van’.  Ook al is dat niet de waarheid.
    En je als volwassene – eindelijk – de tijd en de ruimte krijgt die je nodig hebt om aandacht te geven aan het vroege verlies van je ouder. Op momenten dat je dat nodig hebt. Zonder oordelen dat je in ‘arme ik’ blijft hangen.

    Meer lezen

    Tijdsfactoren

    David Grossman
    Uit de tijd vallen
    ISBN: 9789059363632