• |

    Kind, zieke ouder & waarneming

    In mijn Blog Mislukt (25 januari 2013) schreef ik over de gevolgen die een langdurige – en levensbedreigende – ziekte van een ouder kan hebben voor de ontwikkeling van een kind.

    Nog een ander aspect dient hier genoemd te worden. Een aspect dat waarschijnlijk door veel Verlaat Verdriet-ers, die een ouder verloren na langdurige lichamelijk of geestelijke ziekte, herkend zal worden.
    Opgroeien in een gezin, in een huis, als kind van een langdurig en levensbedreigend zieke ouder is voor een kind geen gemakkelijke situatie. Er is iets gaande in huis. Er is iets gaande bij je ouders. Er is angst. Er is verdriet. Er is wanhoop. Er is hoop. Er is valse hoop. Vrijwel alle ouders van kinderen, ouders die geconfronteerd werden met levensbedreigende ziekte, waren te jong om te sterven.
    Deze ouders wilden niet dood.
    Deze ouders wilden niet hun partner verliezen.
    Deze ouders probeerden uit alle macht het noodlot – de dood – af te wenden. Grepen alles aan om maar niet dood te hoeven gaan. Probeerden in een wonder te blijven geloven.

    Er was nog meer angst.
    Nog meer verdriet.
    Nog meer hoop.
    Nog meer wanhoop.

    Je voelde het als kind. Maar je wist het niet. Je had geen idee waar het op uit zou lopen. Wat je boven het hoofd hing. Maar wat je wel voelde was de dreiging. Vaak zonder goed te begrijpen wat die dreiging inhield. Of wat die dreiging uiteindelijk in zou gaan houden.

    Als gevolg daarvan hebben Verlaat Verdriet-ers vaak moeite op hun eigen waarneming te vertrouwen. Wat ik zie: klopt dat met wat er werkelijk is? Wat ik voel: klopt dat met wat er werkelijk is? Wat ik denk: klopt dat met wat er werkelijk is?

    Verlaat Verdriet-ers zijn in veel gevallen uiterst gevoelig voor omgevingsfactoren. Ze zijn bang voor ‘iets’ dat ze als bedreigend ervaren. Vaak zonder goed te kunnen benoemen waar het over gaat. Als er dan iets lijkt te gebeuren wat ze als ingrijpend ervaren, dan voelt die gebeurtenis vaak oneindig veel groter dan ze zelf zijn. Ze voelen zich machteloos.

    ‘Geef kinderen open en eerlijke informatie’ is één van de eerste adviezen die ouders wordt gegeven. Het is zo gemakkelijk gezegd. In theorie klopt dit advies ongetwijfeld. Maar doe het maar eens als je – ongewild – in de situatie terecht bent gekomen waarin je partner – of jijzelf – geconfronteerd wordt met een naderende en onafwendbare dood.

    Remember me when I’m gone

    Speciaal voor ouders, die weten dat ze zullen sterven en die hun kind(eren) een eigenhandig gemaakt herinneringsdocument willen doorgeven, hebben Juliette Reinders Folmer en Titia Liese het wereldwijde project www.rememembermewhenimgone.org ontwikkeld.

  • |

    Poly-ruptuur, multiple-trauma

    Steeds opnieuw gaat het thema ‘Een kind dat een ouder verliest door de dood, verliest veel meer dan alleen die ouder’ door me heen. Als een soort van mantra: ‘een kind dat een ouder verliest door de dood, verliest veel meer dan alleen die ouder’. Het kind verliest ook veiligheid. Continuïteit. Geestelijke geborgenheid. Vertrouwen.

    Zelf geef ik de voorkeur aan het gebruik van het woord ruptuur (snede, scheur) in geval van jong ouderverlies boven – of liever gezegd: voorafgaand aan – gebruik van het woord trauma (wond). Van het ene op het andere moment raakt het kind afgescheiden van de overleden ouder. Onomkeerbaar. Raakt het kind afgescheiden van het leven zoals het was. Onomkeerbaar. Raakt het kind afgescheiden van zichzelf. Niet onomkeerbaar. Het leven ging door. Onmiskenbaar. Het levensveranderende verlies greep diep in. Op alle levensgebieden, en zowel in de geest, als in het lichaam van het kind. In haar/zijn hele zijn.
    Bij jong ouderverlies is eerder sprake van een meervoudige ruptuur, dan van een enkelvoudige ruptuur: poly-ruptuur. Poly-ruptuur – meervoudige ruptuur – kan meervoudig trauma veroorzaken: multiple-trauma. En veroorzaakt dat bij jong ouderverlies in veel gevallen ook werkelijk.
    Als het kind vervolgens wordt blootgesteld aan een veelvoud van vervolgverliezen en -transities wordt de kans op een veelvoud aan trauma’s –  multiple-trauma – groter en groter.

    Steeds duidelijker ook krijgt mijn scepsis vorm ten aanzien van (een al te gemakkelijk) gebruik van EMDR. Wie niet een goede kennis heeft van, en een ruime ervaring heeft met, de levenslange invloed van de vroege dood van een ouder, doet er goed aan EMDR niet ‘zomaar’ in te zetten. Voor Verlaat Verdriet-ers, die in hun jeugd zijn geconfronteerd met poly-ruptuur en multiple-trauma, kan het gebruik van EMDR gevaarlijk zijn, en de Verlaat Verdriet-er eerder schade berokkenen dan helpen. EMDR is geen gemakkelijke en lekker snelle methode om van je trauma’s af te komen. Zeker niet als het gaat om de gevolgen van jong ouderverlies!

    Morgen heb ik een afspraak met de enige persoon in Nederland die is opgeleid in het gebruik van WingWave. Wingwave is een methodiek die in Duitsland is ontwikkeld door twee psychologen. Ik ben nieuwsgierig naar deze methode. Misschien een methodiek die bruikbaar is om mee te werken met Verlaat Verdriet-ers? In ieder geval wordt Wingwave gebruikt door null in Zwitserland. Hoewel Diederika, wat Verlaat Verdriet-ers en Wingwave betreft, nog aan het onderzoeken is of de methode goed kan werken bij Verlaat Verdriet-ers en zo ja: hoe.

    Ik zal het horen morgen, en er zeker verder over schrijven.

  • |

    Eindelijk tijd voor ruimte?

    De afgelopen vijftien/twintig jaar zijn we ongeveer letterlijk doodgegooid met aandacht voor verliesverwerken. Voor rouwen. Na lange tijden van zwijgen over de dood. Van zwijgen over gevoelens. Van de overtuiging, dat wie niet huilde bij een verlies, dat verlies ‘droeg als een man’. Flink was. Sterk was.

    Daaropvolgend kwam een tijd waarin verliesverwerken een verplichting werd, gebaseerd op het lineaire vooruitgangsdenken. Je lijdt een verlies. Je verwerkt dat verlies. Je laat het verlies achter je. Je gaat door met je leven, als mooier, beter, wijzer, rijker mens. Termen als ‘gestagneerde rouw’ en ‘pathologische rouw’ werden geïntroduceerd. ‘Er niet in blijven hangen’, op straffe van minachting. Rouwdwang. Zo groot dat de term ‘rouwverwerken’  een breed geaccepteerde term is geworden. Vooruit! Flink zijn! Het leven gaat door!

    Lang was men de overtuiging toegedaan dat kinderen niet konden rouwen. In mijn eigen leven – mijn moeder overleed in 1957 – heb ik mij daar veel over afgevraagd. Helaas heb ik mijn vragen nooit meer kunnen delen met mijn vader. Over mijn moeder spraken we niet meer. Niemand die het aandurfde om dat verdriet weer boven te halen. En toen ik eindelijk zover was dat ik het had gekund, leefde mijn vader allang niet meer. Wat mijn vader allemaal precies heeft gedacht: ik weet het niet. Dat mijn vader geen holbewoner was die er geen flauw benul van had hoe je met kinderen om moest gaan, dat weet ik wel heel zeker. ‘Ik hoop de kinderen hiermee een trauma te hebben bespaard’ motiveert hij in nagelaten geschriften zijn besluit om mij (acht jaar) en mijn drie jaar jongere broertje niet mee te nemen naar de crematie. ‘Samen met Jantje stonden jullie op de stoep en zwaaiden ons uit. Alsof het een hele gewone dag was’.

    In dezelfde afgelopen twintig jaar is er aandacht gekomen voor kinderen en rouw. Veel aandacht. Heel veel aandacht. Cursussen. Trainingen. Opleidingen. Boeken. Lezingen. Symposia. Bordspelen. Enzovoort. Enzovoort. Veel belangstelling. Met name voor het sentimentele deel. Het is toch zielig, als een moeder/een vader sterft. Maar betekent dat, dat er in al die tijd ook belangstelling is geweest voor de werkelijkheid van het vroege verlies van een ouder?
    In vrees van niet.
    In ieder geval niet zo lang het denken over rouwen, over verlies-en verdrietverwerken, over ‘rouwverwerking’ is gebaseerd op het lineaire denken: je moet het verlies verwerken, achter je laten, doorgaan met je leven als mooier, beter, wijzer, rijker mens.

    Langzamerhand zie ik – gelukkig – een verandering komen in die, op illusies gebaseerde en op prestaties gerichte, manier van denken. Er komt ruimte voor een meer realistische manier van denken over rouwen. Een manier van denken met meer werkelijkheidszin: een ingrijpend verlies maakt deel uit van je leven. Van jou. Van je levensverhaal. Eindelijk komt er ruimte om een ingrijpend verlies werkelijk een plaats te geven in je leven.

    Naar ik hoop betekent dit, dat eindelijk de tijd is aangebroken die kinderen niet alleen de erkenning van de realiteit van het ingrijpende verlies van een ouder biedt, maar ook de ruimte dat verlies deel uit te laten maken van hun leven. Van hun ontwikkeling. Van hun levensverhaal.
    De ruimte het verlies een plaats te geven in hun leven, zonder altijd de dwang te voelen dat er verwerkt moet worden. ‘Het moet nu maar eens over zijn’.  ‘Je moet toch verder met je leven.’ Of – erger nog – de quasi begripvolle opmerking: ‘Het kan in latere fasen van het leven weer opspelen.’

    Zodat je als kind de ruimte krijgt die je nodig hebt. Dus ook de ruimte om ongetwijfeld goedbedoelende en/of daarvoor opgeleide ‘helpers’ af te wijzen. En de ruimte om te kunnen zeggen ‘ik heb er geen last van’.  Ook al is dat niet de waarheid.
    En je als volwassene – eindelijk – de tijd en de ruimte krijgt die je nodig hebt om aandacht te geven aan het vroege verlies van je ouder. Op momenten dat je dat nodig hebt. Zonder oordelen dat je in ‘arme ik’ blijft hangen.

    Meer lezen

    Tijdsfactoren

    David Grossman
    Uit de tijd vallen
    ISBN: 9789059363632

  • | | | |

    Mislukt

    Regelmatig ontmoet ik in mijn werk Verlaat Verdriet-ers die vast zijn gelopen in hun werk.
    Ze voelen zich mislukt.

    Ik herken hun gevoelens daarover als de mijne. Al is dat wat mij betreft lang geleden. Ooit gaf ik les. Stond ik voor de klas. Hoewel ik de eerste jaren met heel veel plezier werkte op ‘mijn’ hele kleine schooltje – gelegen in het bos – groeide in de loop van de jaren wel het gevoel: ‘dit is niet mijn werk. Ik wil dit eigenlijk helemaal niet.’ Maar wat wilde ik dan wel? Ik had geen idee. Wat kon ik eigenlijk? Ik had geen idee. Naarmate de jaren verstreken verzandde ik meer en meer in mijn werk. Tot ik het gevoel had geen kant meer op te kunnen. Vastgelopen in mijn werk. Vastgelopen in mijzelf. Dit wilde ik niet langer. Maar wat dan wel? Ik had geen idee. Voelde me totaal mislukt. De dag waarop ‘mijn’ kleine schooltje werd gesloten, en ik op straat kwam te staan zonder werk, voelde als een bevrijding. Maar tegelijkertijd ook weer niet. Ik was totaal opgebrand. Draaide maanden en maanden (of eigenlijk, om helemaal eerlijk te zijn: jaren en jaren) om me zelf heen. Ik was een zombie in mijn eigen leven geworden. Dat was eigenlijk het enige wat ik nog was: een zombie. Mislukt. Zonder doel. Zonder perspectieven.

    ‘Ik voel me mislukt’ klinkt mij dus erg bekend in de oren als ik het een Verlaat Verdriet-er weer hoor zeggen. ‘Het werk dat ik heb gedaan – ook al was ik succesvol in dat werk – wil ik niet meer doen. Maar wat dan wel?’

    Veel heb ik nagedacht over die gevoelens van mislukt zijn, met name met betrekking tot werk. Hoe komt het toch dat zoveel Verlaat Verdriet-ers daarin terecht komen? Waar komen die gevoelens vandaan? Waar zijn ze op terug te voeren?

    Voor een groot gedeelte zijn ze – mijns inziens – terug te voeren op het feit dat Verlaat Verdriet-ers, als gevolg van de vroege dood van hun ouder, als het ware uit zichzelf zijn gevallen. Ze pasten zich aan de veranderde omstandigheden aan. Raakten zichzelf en hun eigen doelen kwijt. Ze maakten (opleidings- en beroeps)keuzen vanuit hun aangepaste Zelf, niet meer verbonden met hun oorspronkelijke Zelf. Ze lopen vast in hun werk. Ook als ze dat werk met (groot of minder groot) succes uitvoeren.

    Bij een (groot) aantal Verlaat Verdriet-ers begon het proces van aanpassen al veel eerder dan vanaf het moment dat de ouder overleed. Dat zijn de Verlaat Verdriet-ers die een – fysiek of psychisch – langdurig zieke ouder hebben gehad. Deze kinderen pasten zich aan de situatie aan, die voortkwam uit de ziekte van de ouder. In sommige gevallen een situatie die bestond vanaf hun allervroegste jeugd. Ze kregen onvoldoende pedagogische voeding en onvoldoende ruimte om zich vrij te ontwikkelen. De langdurige ziekte van de ouder bleek niet alleen de sluipmoordenaar van de ouder, maar ook een kracht die de eigen kracht van het opgroeiende kind vervormde, soms misvormde. Het kind kreeg onvoldoende kans om geestelijk te groeien. Soms lijkt de sluipmoordenaar van de ouder ook het Zelf in het kind gedood te hebben (wat niet waar blijkt te zijn!). Deze Verlaat Verdriet-ers willen zo graag presteren, maar hebben geen idee hoe je het moet doen: je eigen doelen stellen. Je eigen doelen halen. Ze hebben de ouder gemist die ze bij de hand nam. Die tegen ze zei: ‘Je doet het goed. Doe nog maar een stapje.’ Ze kunnen niet voldoen aan eisen die worden gesteld. Trekken zich terug in zichzelf. Voelen zich mislukt.

    Nog een aspect van gevoelens van mislukt zijn moet hier genoemd worden. Een onzichtbaar, maar groot en venijnig aspect.
    Kinderen die een ouder verliezen proberen op alle mogelijke manieren de verstoorde situatie weer in balans te brengen. Ze gaan zorgen voor de overgebleven ouder. Ze gaan zorg dragen voor broertjes en/of zusjes. Ze doen verschrikkelijk hun best. Ze passen zich aan. Ze gaan geven, in plaats van hun oorspronkelijke kind-recht: te mogen leren ontvangen. Ze gaan op hun tenen lopen. Of trekken zich helemaal terug om geen (over)last te veroorzaken. Gaan presteren. Raken overbelast. Maar hoe hard ze ook hun best doen: het lukt ze niet de balans waarnaar ze zo verlangen te herstellen. Het wordt niet beter. En wat ze ook doen: het wordt niet opgemerkt. Of, als het al wordt opgemerkt: dan nog krijgen ze niet de waardering voor de inspanningen die ze leveren waar ze naar verlangen. Ze worden niet voldoende op waarde geschat.
    Deze Verlaat Verdriet-ers leggen in hun latere leven de lat vaak verschrikkelijk hoog. Ze stellen hoge eisen aan zichzelf. Eisen waar ze niet aan kunnen voldoen. Ze gaan maar door en door. Maar ondanks alles – ook ondanks het feit dat ze mogelijk wel succes hebben in hun werk – dragen ze vaak het gevoel in zich: ‘Ik ben mislukt’.