• | | |

    Gat in de weg

    Je met succes aanpassen aan de veranderde omstandigheden lijkt niet alleen een eigentijdse aanname te zijn met betrekking tot verlies & rouw, maar ook een eigentijdse rouw-opdracht. Regelmatig vraag ik me af of degene(n) die een dergelijke ‘rouw-oplossing’ verzint/verzinnen (wie dat zijn: ik heb geen idee) zich ooit één seconde bezighoudt/bezighouden met de reikwijdte – namelijk met de gevolgen op langere termijn- van dit soort opvattingen. Veerkracht. Je met succes aanpassen aan de veranderde omstandigheden.

    Maar wat betekent: je met succes aanpassen aan de veranderde omstandigheden voor kinderen die een ouder verliezen? Heb je je met succes aangepast als de mensen in je omgeving – zoals bijvoorbeeld je overgebleven ouder en/of andere opvoeders – geen last van je hebben? Of heb je je met succes aangepast als niemand meer iets aan je merkt? Terwijl je altijd op je tenen loopt om iedereen tevreden te houden?

    Steeds duidelijker zie ik bij Verlaat Verdriet-ers de consequenties van je met succes aanpassen aan de veranderde omstandigheden. Want dat is wat de vele Verlaat Verdriet-ers die ik heb ontmoet, en met wie ik heb mogen werken, in hun jeugd hebben gedaan. Zich aanpassen. Geen last veroorzaken. Op de overgebleven ouder letten: gaat het wel goed met haar/hem? Zorg op je nemen die je eigenlijk niet kunt dragen. Zorg geven, in plaats van zorg ontvangen. Al je veerkracht in moeten zetten om jezelf in stand te kunnen houden.
    Ik zie volwassen Verlaat Verdriet-ers daar steeds weer in vast lopen. Je altijd weer aanpassen aan omstandigheden die niet goed voor je zijn. Niet om kunnen gaan met grenzen. Jezelf weggeven, zoals je dat al gewend bent te doen sinds de dood van je ouder(s). Met als gevolg dat je geen idee meer hebt van wie je zelf eigenlijk bent.

    Afgelopen vrijdag hebben we (opnieuw) een prachtige laatste dag meegemaakt van de jaartraining De kunst van het verbinden bij Verlaat Verdriet. Ingrid, één van de deelneemsters van deze cyclus, bracht een mooie tekst voor ons mee. Een tekst die ik hier graag met je wil delen. Een tekst dat mij uitnodigde om de laatste strofe (4: ik loop er omheen5: ik loop door een andere straat) – ontwijken: daar zijn Verlaat Verdriet-ers al heel erg goed in – een eigen invulling te geven.
    Graag nodig ik ook jou uit om te reageren op deze Blog en jouw invulling van de laatste strofe te delen met andere lezers. Een invulling die bij jou en bij jouw ervaringen past.

    Gat in de weg

    1)     Ik loop door een straat.
    Er is een diep gat in het trottoir.
    Ik val erin.
    Ik ben verloren……ik ben radeloos.
    Het is mijn verantwoordelijkheid niet.
    Het duurt eeuwig om een uitweg te vinden.

    2)     Ik loop door dezelfde straat.
    Er is een diep gat in het trottoir.
    Ik doe of ik het niet zie.
    Ik val er weer in.
    Ik kan niet geloven dat ik op dezelfde plek ben.
    Maar het is niet mijn verantwoordelijkheid.
    Het duurt nog lang voor ik er uit ben.

    3)     Ik loop door dezelfde straat.
    Er is een diep gat in het trottoir.
    Ik zie dat het er is .
    Ik val er weer in …. Het is een gewoonte.
    Mijn ogen zijn open.
    Ik weet waar ik ben.
    Het is mijn verantwoordelijkheid.
    Ik kom er direct  uit.

    4)     Ik loop door dezelfde straat.
    Er is een diep gat in het trottoir.
    Ik loop er omheen.

    5)   Ik loop door een andere straat.

     

  • | | | |

    Mislukt

    Regelmatig ontmoet ik in mijn werk Verlaat Verdriet-ers die vast zijn gelopen in hun werk.
    Ze voelen zich mislukt.

    Ik herken hun gevoelens daarover als de mijne. Al is dat wat mij betreft lang geleden. Ooit gaf ik les. Stond ik voor de klas. Hoewel ik de eerste jaren met heel veel plezier werkte op ‘mijn’ hele kleine schooltje – gelegen in het bos – groeide in de loop van de jaren wel het gevoel: ‘dit is niet mijn werk. Ik wil dit eigenlijk helemaal niet.’ Maar wat wilde ik dan wel? Ik had geen idee. Wat kon ik eigenlijk? Ik had geen idee. Naarmate de jaren verstreken verzandde ik meer en meer in mijn werk. Tot ik het gevoel had geen kant meer op te kunnen. Vastgelopen in mijn werk. Vastgelopen in mijzelf. Dit wilde ik niet langer. Maar wat dan wel? Ik had geen idee. Voelde me totaal mislukt. De dag waarop ‘mijn’ kleine schooltje werd gesloten, en ik op straat kwam te staan zonder werk, voelde als een bevrijding. Maar tegelijkertijd ook weer niet. Ik was totaal opgebrand. Draaide maanden en maanden (of eigenlijk, om helemaal eerlijk te zijn: jaren en jaren) om me zelf heen. Ik was een zombie in mijn eigen leven geworden. Dat was eigenlijk het enige wat ik nog was: een zombie. Mislukt. Zonder doel. Zonder perspectieven.

    ‘Ik voel me mislukt’ klinkt mij dus erg bekend in de oren als ik het een Verlaat Verdriet-er weer hoor zeggen. ‘Het werk dat ik heb gedaan – ook al was ik succesvol in dat werk – wil ik niet meer doen. Maar wat dan wel?’

    Veel heb ik nagedacht over die gevoelens van mislukt zijn, met name met betrekking tot werk. Hoe komt het toch dat zoveel Verlaat Verdriet-ers daarin terecht komen? Waar komen die gevoelens vandaan? Waar zijn ze op terug te voeren?

    Voor een groot gedeelte zijn ze – mijns inziens – terug te voeren op het feit dat Verlaat Verdriet-ers, als gevolg van de vroege dood van hun ouder, als het ware uit zichzelf zijn gevallen. Ze pasten zich aan de veranderde omstandigheden aan. Raakten zichzelf en hun eigen doelen kwijt. Ze maakten (opleidings- en beroeps)keuzen vanuit hun aangepaste Zelf, niet meer verbonden met hun oorspronkelijke Zelf. Ze lopen vast in hun werk. Ook als ze dat werk met (groot of minder groot) succes uitvoeren.

    Bij een (groot) aantal Verlaat Verdriet-ers begon het proces van aanpassen al veel eerder dan vanaf het moment dat de ouder overleed. Dat zijn de Verlaat Verdriet-ers die een – fysiek of psychisch – langdurig zieke ouder hebben gehad. Deze kinderen pasten zich aan de situatie aan, die voortkwam uit de ziekte van de ouder. In sommige gevallen een situatie die bestond vanaf hun allervroegste jeugd. Ze kregen onvoldoende pedagogische voeding en onvoldoende ruimte om zich vrij te ontwikkelen. De langdurige ziekte van de ouder bleek niet alleen de sluipmoordenaar van de ouder, maar ook een kracht die de eigen kracht van het opgroeiende kind vervormde, soms misvormde. Het kind kreeg onvoldoende kans om geestelijk te groeien. Soms lijkt de sluipmoordenaar van de ouder ook het Zelf in het kind gedood te hebben (wat niet waar blijkt te zijn!). Deze Verlaat Verdriet-ers willen zo graag presteren, maar hebben geen idee hoe je het moet doen: je eigen doelen stellen. Je eigen doelen halen. Ze hebben de ouder gemist die ze bij de hand nam. Die tegen ze zei: ‘Je doet het goed. Doe nog maar een stapje.’ Ze kunnen niet voldoen aan eisen die worden gesteld. Trekken zich terug in zichzelf. Voelen zich mislukt.

    Nog een aspect van gevoelens van mislukt zijn moet hier genoemd worden. Een onzichtbaar, maar groot en venijnig aspect.
    Kinderen die een ouder verliezen proberen op alle mogelijke manieren de verstoorde situatie weer in balans te brengen. Ze gaan zorgen voor de overgebleven ouder. Ze gaan zorg dragen voor broertjes en/of zusjes. Ze doen verschrikkelijk hun best. Ze passen zich aan. Ze gaan geven, in plaats van hun oorspronkelijke kind-recht: te mogen leren ontvangen. Ze gaan op hun tenen lopen. Of trekken zich helemaal terug om geen (over)last te veroorzaken. Gaan presteren. Raken overbelast. Maar hoe hard ze ook hun best doen: het lukt ze niet de balans waarnaar ze zo verlangen te herstellen. Het wordt niet beter. En wat ze ook doen: het wordt niet opgemerkt. Of, als het al wordt opgemerkt: dan nog krijgen ze niet de waardering voor de inspanningen die ze leveren waar ze naar verlangen. Ze worden niet voldoende op waarde geschat.
    Deze Verlaat Verdriet-ers leggen in hun latere leven de lat vaak verschrikkelijk hoog. Ze stellen hoge eisen aan zichzelf. Eisen waar ze niet aan kunnen voldoen. Ze gaan maar door en door. Maar ondanks alles – ook ondanks het feit dat ze mogelijk wel succes hebben in hun werk – dragen ze vaak het gevoel in zich: ‘Ik ben mislukt’.

  • |

    Oud patroontje, leef je nog? (2)

    Experience-based Verlaat Verdriet-werk heeft grote voordelen. Wie beter dan wijzelf – Verlaat Verdriet-ers – is in staat de levenslange invloed van de vroege dood van een ouder te benaderen vanuit de ervaringen van het kind van toen en betekenis te geven vanuit de ervaringen van de volwassene van nu?

    Maar: experience-based Verlaat Verdriet-werk heeft ook z’n kwetsbare kanten. Eén van die kanten ervaar ik sinds enige tijd ook weer zelf. Mijn eigen fysieke ervaring. Een even kwetsbare als invloedrijke kant van overleven. Gebeurtenissen van buitenaf waar ik geen invloed op heb gehad – waar ik bij betrokken ben, maar feitelijk niet in betrokken ben – heeft mijn hele fysieke overleef-systeem diep geraakt en (weer eens) op alert gezet.
    Ik zit er weer midden in. Gevoelens van machteloosheid hebben het systeem – mijn systeem – weer helemaal in gang gezet. Ik zit weer in een fysiek overleef-systeem dat totaal is gericht op overleven.

    Bijzonder evenwel aan deze staat van paraatheid – zoals die zich nu bij mij voordoet – is: omdat de kwestie die speelt in wezen niet over mij gaat en ik geen verantwoordelijkheden heb in de ontstane situatie, (de gevoelens van machteloosheid zijn er niet minder om, integendeel) zit ik er niet alleen middenin, maar kan ik tegelijkertijd ook als buitenstaander de verschijnselen die zich in mij afspelen observeren. En dat is heel anders dan vroeger. Een groot deel van mijn leven heb ik in deze overleefstand doorgebracht. Met alle fysieke gevolgen van dien. Geconfronteerd met de gevolgen, maar me al die jaren totaal niet bewust van de oorzaak: het vroege verlies van mijn moeder.

    ‘Ik ben weer een gesloten systeem geworden’ realiseerde ik me een paar dagen geleden. ‘Uitsluitend gericht op overleven’. Ik heb geen eetlust. Ik kan wel klussen of werkzaamheden doen die dicht bij me liggen, maar ‘uitreiken’ kan ik niet. Mijn lijf is supergevoelig voor invloeden van buitenaf – bij het minste of geringste schiet m’n lijf weer in staat van hoogste paraatheid. Plannen maken: lukt niet. Initiatieven nemen: lukt niet. Toekomstgericht denken: lukt niet. Concentreren: lukt niet. Mijn geheugen heeft gaten. Ik kan soms helemaal niet op woorden komen. De regulatie van mijn lichaamstemperatuur is in de war, mijn voeten vaak koud. Mijn darmen werken niet normaal.

    Ook anders dan vroeger ben ik nu niet alleen lijdend voorwerp (de overleefstand is over het algemeen geen prettige fysieke ervaring, dat weet je wellicht zelf als de beste), mijn lijf is nu ook mijn eigen studie-object. Wat gebeurt er allemaal? Hoe reageert mijn psyche? Wat doet mijn lijf? Hoe voel ik me? Wat heb ik nodig? Wat is niet goed voor mij? Welke processen spelen zich af? In welke volgorde? Heb ik daar invloed op? Zo ja: welke invloed? Zo nee: wat kan ik dan wel doen?

    ’s Ochtends bij het wakker worden weet ik het ineens. Ik – het gesloten systeem – heb het nodig om te spuien, te spuien, te spuien. Ik bel de psycho-therapeut met wie ik er al menig sessie op heb zitten en kan op korte termijn een afspraak maken. We starten de sessie met spuien, spuien, spuien. En dan, na een klein uur, zijn we bij de kern aangekomen. In mij blijkt nog altijd een klein meisje van acht te zitten (mijn moeder stierf toen ik acht was) dat doodsbang is voor de volgende klap – een nieuwe ruptuur.

    ‘Kun je aanvaarden dat er een klein meisje in je zit dat doodsbang is?‘, vraag M., de therapeut. ‘Nee’, zeg ik meteen. ‘Dat meisje is al groot. Die redt zich heus wel.’

    ‘Kun je aanvaarden dat je niet kunt aanvaarden dat er een klein meisje in je zit dat doodsbang is, terwijl je weet dat dat kleine doodsbange meisje er wel is?’
    ‘Ja’, zeg ik.
    Dat kan ik wel. En op hetzelfde moment vloeit er een heleboel spanning uit me weg.

    ‘Oud patroontje, leef je nog?’
    Ja.
    Dat kun je wel zeggen.

  • |

    Tentoonstelling voor overlevers

    Enkele jaren geleden reisde ik met Anja Tjallema-Kharitanova naar Sint Petersburg. Een ervaring die in mijn ziel gegrift staat. Alleen al de onvermoeibare en bezielde begeleiding van Anja – in veel gevallen nog eens aangevuld en ondersteund door haar in Petersburg wonende ouders – maakte deze reis tot een heel bijzondere gebeurtenis. Sint Petersburg van binnen en van buiten, zou je kunnen zeggen. Het enige wat ik echt gemist heb bij dat bezoek (en dat lag zeker noch aan Anja, noch aan haar ouders) was het missende stuk uit de kunstgeschiedenis dat mij nou juist zo interesseert: het gat tussen de schilderijen van Repin c.s. (die mij voornamelijk niet aanspreken, al zijn ze nog zo kolossaal van grootte) en het Zwart Vierkant van Malewitsch. Dat moest ik toch in Petersburg, die bakermat van veranderingen, kunnen zien? Niet. In ieder geval niet bij mijn bezoek, ook niet aan het Staatsmuseum. Teleurstelling. En kleine, maar wel een echte.

    Een paar weken geleden las ik over de tentoonstelling De Sovjet Mythe in het Drents Museum in Assen.
    Daar moet ik zijn, wist ik meteen.
    Afgelopen donderdag bezocht ik, samen met een vriendin, deze tentoonstelling en zag wat ik in Petersburg hoopte te kunnen zien: de ontwikkelingen in de Russische kunst tussen Repin c.s.naar Malewitsch c.s. De namen van de kunstenaars: ik kende ze niet. De werken van de kunstenaars: ik kende ze niet. Voor gewone mensen als ik grotendeels verborgen gebleven voor de buitenwereld – de wereld zowel binnen als buiten de Sovjet Unie.

    Het verlangen naar verandering. Zichtbaar. Merkbaar. Voelbaar. De kracht van verandering. Tegen verdrukking, afwijzing en afkeuring in. In alles aanwezig.

    Nog afgezien van het bezoek aan het museum – wonder van samenwerking en doorzettingsvermogen – dat elke reis, waarvandaan dan ook, de moeite waard maakt: een tentoonstelling van en voor overlevers en veranderaars.