• | | | | | | | | | | | |

    Verloren in het kraambed

     

     

     

     

     

     

    Stel: je bent het jongste kind van zes.
    Stel: je verloor je moeder in het kraambed.
    Stel: je moeder overleed onmiddellijk na jouw geboorte.
    Stel: je komt als baby thuis. In een huis waar je vijf broertjes en zusjes hun moeder hebben verloren. En je vader zijn vrouw.
    Stel: niemand zegt het ooit, maar toch voel jij dagelijks de zwaarte van de onuitgesproken beschuldiging: jij bent de moordenaar van mijn moeder.

    Stel: je bent het eerste kind van je moeder en je vader en het enige kind van je moeder.
    Stel: je moeder overleed in het kraambed.
    Stel: je moeder overleed onmiddellijk na jouw geboorte.
    Stel: je groeide op in het liefdevolle gezin van de zus van je moeder.
    Stel: je hebt regelmatig contact met je vader.
    Stel: op een dag laat je vader zich ontvallen: ‘Het zou beter zijn geweest als jij niet was geboren.’

    Jij was zo jong

    Dan is het toch niet te hebben, als ‘de buitenwereld’ bij heel jong ouderverlies zegt (of erger nog: denkt):
    ‘Ach, jij was zo jong. Je hebt je moeder niet gekend.
    Dan kun je er ook geen last van hebben.’

  • | | | | | | | | | | | |

    Schurende culturen

     

     

     

     

     

     

     

    ‘Kinderen lijken meer op hun tijd dan op hun vader.’
    Lang geleden las ik ergens dit – Arabische – gezegde.
    Het is me altijd bijgebleven.
    Zeker nu, in deze tijd, waarin we zo met onze neus worden gedrukt op schurende – om niet te zeggen botsende – culturen.

    Zijn we ons eerder zo bewust geweest van de persoons-vormende invloed van tijd? Van cultuur?
    Zijn we als samenleving ooit eerder zo geconfronteerd met verschillen in normen? In waarden?
    Zijn we er ooit eerder als samenleving zo omvangrijk mee geconfronteerd hoe diep cultuur mensen vormt? Hoe vèrgaand?

    Cultuurbreuk

    Het moet zo’n vijfentwintig jaar geleden zijn, dat ik in De Volkskrant een interview las met René Hoksbergen. Een interview ter gelegenheid van het feit dat hij, Hoksbergen, de eerste – bijzonder – hoogleraar Adoptie was geworden aan de Universiteit in Utrecht.
    In dat interview vertelde hij, dat het vroege verlies van zijn moeder mee had gezorgd voor deze keuze. ‘Het verlies van mijn moeder was een diepe cultuurbreuk in mijn kinderleven’.
    Voor het eerst bracht voor mij iemand anders onder woorden wat ik zelf al zo lang voelde: het verlies van mijn moeder was een cultuurbreuk in mijn kinderleven.
    Wat in ons gezin gewoon, goed en vanzelfsprekend was in de tijd dat mijn moeder leefde, was na de komst van de tweede vrouw van mijn vader helemaal niet meer gewoon, goed en vanzelfsprekend.

    Je verliest zoveel meer

    Een kind dat een ouder verliest, verliest zoveel meer dan die ouder alleen.
    Je verliest ook veiligheid.
    Geborgenheid.
    Continuïteit.
    Vertrouwen.
    Je verliest ook zorg van je overleden ouder.
    Liefde.
    Aandacht.
    Onvoorwaardelijkheid.
    En je verliest de cultuur van je overleden ouder.

    Besef

    Mozaïek-gezinnen.
    Lappendeken-gezinnen.
    Patchwork-gezinnen.
    Bonus-mama’s.
    Bonus-papa’s.

    Hoeveel mooie woorden hebben we inmiddels bedacht voor samengestelde gezinnen?
    Voor stief-moeders?
    Voor stief-vaders?

    Hoeveel besef hebben we van de gevolgen die al dat verlies van veiligheid, van continuïteit, van vanzelfsprekendheid van normen en waarden heeft voor de vorming van het kind dat al deze grote, ingrijpende verliezen lijdt?
    Hoeveel therapeuten nemen dit gegeven mee in de begeleiding van Verlaat Verdriet-ers? Van volwassenen dus die in hun jeugd een ouder hebben verloren door overlijden?

    Wie staat er werkelijk stil bij de invloed van schurende culturen als het gaat om gezinnen, kinderen en het verlies van een ouder door de dood? (om maar niet te spreken over het verlies van beide ouders)?

  • | | | | | | | | |

    Ongewenst boffen

     

     

     

     

     

     

    ‘Het lijkt wel alsof ik de bof heb.’ 

    Vorig weekend voelde ik me steeds zieker worden.
    Pijn in m’n hoofd.
    Pijn in m’n kaak. Dan links, dan rechts, dan midden, dan weer links, dan weer rechts. De hele dag door.
    Geen warme dranken verdragen. En ook koude liever niet.
    Zondagochtend werd ik wakker met een rotgevoel.
    ‘Het lijkt wel of ik de bof heb’, schoot er door me heen. ‘Kan niet, ik moet woensdag naar Hoorn voor de lezing.’

    Niet ingeënt

    Wij, van voor 1956, werden niet ingeënt tegen kinderziektes. We moesten ze gewoon krijgen, want dat was beter voor ons.
    Ik herinner me hierover een anekdote uit mijn jeugd.
    Het was de bedoeling dat je de kinderziektes kreeg: bof, rode hond, mazelen, waterpokken.
    Wat er ook gebeurde: ik kreeg ze niet. Althans: ik werd er niet ziek van.

    Besmetten

    In arren moede heeft mijn moeder me uiteindelijk een dag in de box gezet. Met de even oude – wel zieke – dochter van een vriendin. In de hoop dat ik het dan ook maar kreeg.
    Ik moet er nog ergens een foto van hebben.
    Twee verhitte moeders.
    Gebogen over een box met twee hartstochtelijk huilende dochters.
    Huilen, dat lukte in ieder geval aantoonbaar wel!

    Ongewenst boffen

    Na het weekend knapte ik snel op. Opluchting: de lezing in Hoorn kon gewoon doorgaan.
    Gisteren begon de pijn in mijn kaak en mijn oor weer op te spelen.
    Toch maar even naar de huisarts.
    ‘Waarschijnlijk een virus. Mogelijk verwant aan bof’, constateerde de dokter.
    ‘Niks aan doen. Gewoon wachten tot het over is.’ 

    Zo zie je, hoe je ook ongewenst kunt boffen!

     

  • | | | | | | | | | | |

    Mammie waar kom ik vandaan?

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Vooruitstrevende mensen waren mijn ouders.
    Vooruitstrevend lang voordat vooruitstrevend progressief werd genoemd.
    Zo was mijn vader al lid van de NVSH lang voordat de NVSH bestond.

    Mammie waar kom ik vandaan?

    Uiteraard betekende dat ook seksuele voorlichting voor het jonge kind.
    Voor mij, in dit geval.
    Hoe vooruitstrevend mijn vader ook was: opvoeden is de taak van de moeder. Dat was een zekerheid! Naar alle waarschijnlijkheid nam dus mijn moeder ook deze opvoed-taak op zich. En was zij degene die me voorlas uit het boekje waarvan de titel me nog vers in het geheugen ligt: Mammie waar kom ik vandaan?

    Gestopt

    Ergens, in de tijd van haar ziekte, is dat voorlezen gestopt.
    Ergens, halverwege het boek. En niet meer door iemand opgepakt.
    Bij de tweede vrouw van mijn vader was het ondenkbaar geweest, dat zij dat zou hebben opgepakt. Ook wat dat betreft was er sprake van een grote cultuurbreuk met haar komst in ons gezin.
    En zelfs als zij dat zou hebben opgepakt, dan zou ik me niet voor kunnen stellen dat ik het zou hebben toegelaten met haar over zulke intieme zaken te spreken – of me zelfs maar over zulke intieme zaken voor te laten lezen.

    Gevolg

    Ergens, halverwege het boek, stopte het voorlezen, schreef ik hierboven.
    Gevolg is geweest, dat ik gedurende mijn jeugd heel lang heel erg zeker wist: als je samen in de kamer zat en heel veel van elkaar hield, dat er dan een zaadje door de kamer vloog en dat je dan zwanger werd.

    Goed gekomen

    Heus, het is goed gekomen met me.
    Die door de kamer zoevende zaadjes: dat snapte ik wel, dat dat een beetje onwaarschijnlijk was.
    Maar hoe je het dan wel deed…..

    Boeken

    Op mijn zeventiende ging ik uit huis.
    Bij het weggaan uit huis, kreeg ik van mijn vader twee dikke boeken. Te weten: Sexualiteit 1 en Sexualiteit 2.
    Hij en ik waren toen al zover uit elkaar gegroeid, dat ik niet heb gezegd: Ik weet het al van die zaadjes.