• | | | | | | | | | | | |

    Honderdvierenveertig

     

     

     

     

    ‘Nou: zo’n twaalf jaar. Eens per maand’, antwoord ik op de vraag van een deelnemer aan de workshop van de afgelopen dagen.
    ‘Honderdvierenveertig dus’ reageert hij meteen.

    Of het er helemaal honderdvierenveertig zijn: ik betwijfel het enigszins. Er ging ook wel eens een maand voorbij zonder. Maar ook wel eens een maand met twee. Of drie.
    Uiteindelijk zal het toch aardig in de richting gaan van honderdvierenveertig.
    Een respectabel aantal, denk je dan toch. Tenminste: ik wel op het moment dat dat getal wordt uitgesproken.

    Openen

    Afgelopen dagen was het weer tijd voor een workshop. Drie deelnemers deze keer: Twee vrouwen en een man.
    Voor de (misschien bijna) honderdvierenveertigste keer een bijzondere en prachtige ervaring.
    De ruimte, de rust en de veiligheid die ontstaat als ervaringsgenoten hun ervaringen met elkaar kunnen delen.
    De opluchting als, al werkend, steeds duidelijker wordt hoe groot en omvangrijk de gevolgen zijn van jong ouder verlies. Ook op de langere termijn.
    De rust die de erkenning biedt. Ook – en eigenlijk zeker – als je als deelnemer aan de workshop al een lange ervaring hebt in de hulpverlening. Als er altijd gewerkt moet worden aan ‘van alles’, terwijl het vroege verlies van je ouder stelselmatig wordt genegeerd. Je je niet alleen niet gezien en gehoord voelt (wat op zich al pijnlijk genoeg is), maar er dus ook nooit ruimte is om te werken aan dat wat voor jou voelt als de oorzaak van de problemen waar je mee worstelt.
    De liefde die kan stromen als geopend kan worden wat zo lang afgesloten heeft gezeten.

    Toewijding en liefde

    Elke workshop opnieuw heeft z’n eigen dynamiek.
    Z’n eigen vorm.
    Z’n eigen kenmerken.
    Maar elke workshop opnieuw word ik diep geraakt door de toewijding en de liefde van de deelnemers.
    Altijd weer opnieuw is het bijzonder daarvan getuige te mogen zijn.

  • | | | | | | | | | | |

    Mammie waar kom ik vandaan?

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Vooruitstrevende mensen waren mijn ouders.
    Vooruitstrevend lang voordat vooruitstrevend progressief werd genoemd.
    Zo was mijn vader al lid van de NVSH lang voordat de NVSH bestond.

    Mammie waar kom ik vandaan?

    Uiteraard betekende dat ook seksuele voorlichting voor het jonge kind.
    Voor mij, in dit geval.
    Hoe vooruitstrevend mijn vader ook was: opvoeden is de taak van de moeder. Dat was een zekerheid! Naar alle waarschijnlijkheid nam dus mijn moeder ook deze opvoed-taak op zich. En was zij degene die me voorlas uit het boekje waarvan de titel me nog vers in het geheugen ligt: Mammie waar kom ik vandaan?

    Gestopt

    Ergens, in de tijd van haar ziekte, is dat voorlezen gestopt.
    Ergens, halverwege het boek. En niet meer door iemand opgepakt.
    Bij de tweede vrouw van mijn vader was het ondenkbaar geweest, dat zij dat zou hebben opgepakt. Ook wat dat betreft was er sprake van een grote cultuurbreuk met haar komst in ons gezin.
    En zelfs als zij dat zou hebben opgepakt, dan zou ik me niet voor kunnen stellen dat ik het zou hebben toegelaten met haar over zulke intieme zaken te spreken – of me zelfs maar over zulke intieme zaken voor te laten lezen.

    Gevolg

    Ergens, halverwege het boek, stopte het voorlezen, schreef ik hierboven.
    Gevolg is geweest, dat ik gedurende mijn jeugd heel lang heel erg zeker wist: als je samen in de kamer zat en heel veel van elkaar hield, dat er dan een zaadje door de kamer vloog en dat je dan zwanger werd.

    Goed gekomen

    Heus, het is goed gekomen met me.
    Die door de kamer zoevende zaadjes: dat snapte ik wel, dat dat een beetje onwaarschijnlijk was.
    Maar hoe je het dan wel deed…..

    Boeken

    Op mijn zeventiende ging ik uit huis.
    Bij het weggaan uit huis, kreeg ik van mijn vader twee dikke boeken. Te weten: Sexualiteit 1 en Sexualiteit 2.
    Hij en ik waren toen al zover uit elkaar gegroeid, dat ik niet heb gezegd: Ik weet het al van die zaadjes.

  • | | | | | | | | |

    Moedertaal

    Afgelopen weekend schreef ik twee blog’s die over mijn moeder gingen: Droom van mijn vader en Mammie

    Nu mijn moeder weer zo in mijn gedachten is, komt er iets bij me boven over Moedertaal.
    Gedurende en na mijn middelbare schooltijd heb ik sterk het gevoel gehad dat er enorme gaten zaten in mijn algemene ontwikkeling. De tweede vrouw van mijn vader nam een totaal andere cultuur mee, dan de cultuur waarin ik tot dan toe was opgegroeid. Het verlies van van mijn moeder betekende dus niet alleen het fysieke verlies van haar, maar betekende ook het verlies van haar cultuur: een grote cultuurbreuk in mijn (jonge) leven.

    Cultuurbreuk

    De vermeende cultuurbreuk heb ik in de loop van mijn beroeps-opleidingen voor mijn gevoel – en tot mijn grote vreugde – hersteld. Hoewel de cultuurbreuk – de breuk met de vanzelfsprekende manier waarop de cultuur van mijn moeder deel zou zijn geworden van mijn leven – toch wel altijd voelbaar is gebleven als een soort van gemis.

    Moedertaal

    In de tijd dat ik begon te schrijven begon zich een ander gevoel te manifesteren. Voorheen had ik dat gevoel van gemis altijd gelinkt aan de cultuurbreuk. Nu begon me het gevoel steeds duidelijker te worden: het lijkt wel of ik mijn moedertaal niet goed heb geleerd. Of misschien kan ik hier beter zeggen: het lijkt wel of ik mijn moedertaal niet helemaal volledig heb geleerd.
    Wat ik hiermee bedoel, is het gevoel dat ik niet op een natuurlijke wijze (dus via mijn moeder) de gevoelstaal en de betekenis van gevoelstaal heb geleerd. De binnenkant van taal, de vrouwentaal zeg maar.

    Benieuwd

    Waar ik heel benieuwd naar ben: kennen andere dochters/zoons zonder moeder dit gevoel?
    Zo ja: wanneer ben jij dat op gaan merken?
    Wat merk jij? Of heb je gemerkt?
    Heb je er iets mee gedaan?
    Wat heb je er dan mee gedaan?

    Ik hoor het graag, ben er echt heel benieuwd naar.

  • | | | | | | |

    De aarde is plat

    ‘Ze denken echt dat de aarde plat is. Erger nog: ze weten het zeker. Ze hebben er de bewijzen voor,’
    Een paar maanden geleden sprak ik iemand die al heel lang deel uitmaakt van de wetenschappelijke rouw-wereld.
    ‘Jullie weten helemaal niks, als het gaat om de gevolgen van jong ouderverlies op de langere termijn’, schreeuwde ik tegen deze persoon. ‘Jullie denken dat je het weet, maar je weet helemaal niks’.

    Voor de decibellen die ik voortbracht schaamde ik me achteraf. Voor de inhoud van mijn boodschap in het geheel niet.
    Kort geleden sprak ik opnieuw iemand die al sinds jaar en dag werkzaam is in de (internationale) wereld van verlies en rouw. Opnieuw kon ik, na dit gesprek, alleen maar bedenken hoe verschrikkelijk (echt: verschrikkelijk!) ver theorie en praktijk uit elkaar liggen.

    Vanochtend las ik in de krant hoe empirie (onderzoek van de werkelijkheid en het leggen van causale verbanden tussen oorzaak en gevolg) uit de universiteit verdwijnen. Te duur.
    Dit artikel ging over het verdwijnen van empirie in de juridische praktijk op de universiteit.
    Nou: daar niet alleen – dacht ik meteen.

    ‘Ze denken echt dat de aarde plat is. Erger nog: ze weten het zeker. Ze hebben er de bewijzen voor,’ foeterde ik aan de telefoon tegen Joyce.
    ‘Titia: kijk eens uit het raam, antwoordde Joyce prompt. ‘De aarde is plat. Kwestie van perceptie.
    Heerlijk: zo’n relativering op het goeie moment.