• | | | | | | |

    Licht maken

     

     

     

     

     

     

    ‘Ik kan altijd zelf licht maken’ 
    Wintertijd.
    Ze hangen weer: de lichtjes.

    Lang geleden, in een tijd van langdurige depressie, besloot ik in de wintertijd een trosje lichtjes voor mijn raam te hangen.
    Ik zag in een najaar zo’n trosje kerstboomlichtjes hangen voor het raam van een vriendin van me. Het inspireerde me.
    ‘Zo kan je elke dag je eigen lichtje aansteken’
    ging door me heen.
    Zo gedacht, zo gedaan.
    Ook ik hing een trosje kerstboomlichtjes voor m’n raam. E
    lke dag dat het langdurig somber en donker was deed ik ze aan. Het verbond me elke keer weer met het gevoel: ‘Ik kan elke dag m’n eigen licht maken’. 

    Licht maken

    Elk jaar, als de wintertijd ingaat, hang ik de lichtjes op.
    Elk jaar hangen ze tot de zomertijd weer ingaat.
    Op dagen van regen, somberheid en donkerte maak ik licht.
    ‘Ik kan altijd een lichtje voor mezelf maken’.

    Ritueel

    Een simpel ritueel.
    Het werkt.
    Echt.
    (En wat ook werkt, is het gevoel dat de mensen die gedurende de wintertijd langs mijn huis komen mogelijk ook denken: Hé, kijk! Je kunt altijd een lichtje voor jezelf maken.
    Licht doorgeven: ook mooi!).

  • | | | | | | | | | | | |

    Schurende culturen

     

     

     

     

     

     

     

    ‘Kinderen lijken meer op hun tijd dan op hun vader.’
    Lang geleden las ik ergens dit – Arabische – gezegde.
    Het is me altijd bijgebleven.
    Zeker nu, in deze tijd, waarin we zo met onze neus worden gedrukt op schurende – om niet te zeggen botsende – culturen.

    Zijn we ons eerder zo bewust geweest van de persoons-vormende invloed van tijd? Van cultuur?
    Zijn we als samenleving ooit eerder zo geconfronteerd met verschillen in normen? In waarden?
    Zijn we er ooit eerder als samenleving zo omvangrijk mee geconfronteerd hoe diep cultuur mensen vormt? Hoe vèrgaand?

    Cultuurbreuk

    Het moet zo’n vijfentwintig jaar geleden zijn, dat ik in De Volkskrant een interview las met René Hoksbergen. Een interview ter gelegenheid van het feit dat hij, Hoksbergen, de eerste – bijzonder – hoogleraar Adoptie was geworden aan de Universiteit in Utrecht.
    In dat interview vertelde hij, dat het vroege verlies van zijn moeder mee had gezorgd voor deze keuze. ‘Het verlies van mijn moeder was een diepe cultuurbreuk in mijn kinderleven’.
    Voor het eerst bracht voor mij iemand anders onder woorden wat ik zelf al zo lang voelde: het verlies van mijn moeder was een cultuurbreuk in mijn kinderleven.
    Wat in ons gezin gewoon, goed en vanzelfsprekend was in de tijd dat mijn moeder leefde, was na de komst van de tweede vrouw van mijn vader helemaal niet meer gewoon, goed en vanzelfsprekend.

    Je verliest zoveel meer

    Een kind dat een ouder verliest, verliest zoveel meer dan die ouder alleen.
    Je verliest ook veiligheid.
    Geborgenheid.
    Continuïteit.
    Vertrouwen.
    Je verliest ook zorg van je overleden ouder.
    Liefde.
    Aandacht.
    Onvoorwaardelijkheid.
    En je verliest de cultuur van je overleden ouder.

    Besef

    Mozaïek-gezinnen.
    Lappendeken-gezinnen.
    Patchwork-gezinnen.
    Bonus-mama’s.
    Bonus-papa’s.

    Hoeveel mooie woorden hebben we inmiddels bedacht voor samengestelde gezinnen?
    Voor stief-moeders?
    Voor stief-vaders?

    Hoeveel besef hebben we van de gevolgen die al dat verlies van veiligheid, van continuïteit, van vanzelfsprekendheid van normen en waarden heeft voor de vorming van het kind dat al deze grote, ingrijpende verliezen lijdt?
    Hoeveel therapeuten nemen dit gegeven mee in de begeleiding van Verlaat Verdriet-ers? Van volwassenen dus die in hun jeugd een ouder hebben verloren door overlijden?

    Wie staat er werkelijk stil bij de invloed van schurende culturen als het gaat om gezinnen, kinderen en het verlies van een ouder door de dood? (om maar niet te spreken over het verlies van beide ouders)?

  • | | | | | | | | |

    Ongewenst boffen

     

     

     

     

     

     

    ‘Het lijkt wel alsof ik de bof heb.’ 

    Vorig weekend voelde ik me steeds zieker worden.
    Pijn in m’n hoofd.
    Pijn in m’n kaak. Dan links, dan rechts, dan midden, dan weer links, dan weer rechts. De hele dag door.
    Geen warme dranken verdragen. En ook koude liever niet.
    Zondagochtend werd ik wakker met een rotgevoel.
    ‘Het lijkt wel of ik de bof heb’, schoot er door me heen. ‘Kan niet, ik moet woensdag naar Hoorn voor de lezing.’

    Niet ingeënt

    Wij, van voor 1956, werden niet ingeënt tegen kinderziektes. We moesten ze gewoon krijgen, want dat was beter voor ons.
    Ik herinner me hierover een anekdote uit mijn jeugd.
    Het was de bedoeling dat je de kinderziektes kreeg: bof, rode hond, mazelen, waterpokken.
    Wat er ook gebeurde: ik kreeg ze niet. Althans: ik werd er niet ziek van.

    Besmetten

    In arren moede heeft mijn moeder me uiteindelijk een dag in de box gezet. Met de even oude – wel zieke – dochter van een vriendin. In de hoop dat ik het dan ook maar kreeg.
    Ik moet er nog ergens een foto van hebben.
    Twee verhitte moeders.
    Gebogen over een box met twee hartstochtelijk huilende dochters.
    Huilen, dat lukte in ieder geval aantoonbaar wel!

    Ongewenst boffen

    Na het weekend knapte ik snel op. Opluchting: de lezing in Hoorn kon gewoon doorgaan.
    Gisteren begon de pijn in mijn kaak en mijn oor weer op te spelen.
    Toch maar even naar de huisarts.
    ‘Waarschijnlijk een virus. Mogelijk verwant aan bof’, constateerde de dokter.
    ‘Niks aan doen. Gewoon wachten tot het over is.’ 

    Zo zie je, hoe je ook ongewenst kunt boffen!

     

  • | | | | | | | | | | |

    Genieten van Groningen

     

     

     

     

     

     

    Ik logeer een nachtje bij Els. Ze haalt me van de trein.
    Het is – zo nu & dan – een prachtige dag. Alle herfsttinten. De zon.
    Als we in de auto zitten, merk ik het al. Het lijkt wel alsof ik een totaal nieuwe stad zie. Ik ben er zelfs enigszins confuus van!

    Genieten in Groningen

    ‘Heb je zin de stad even in te fietsen’ vraagt Els de volgende ochtend.
    Kan het? Heb ik tijd?
    Al snel beslis ik: ‘Graag!’
    We pakken de fiets en rijden de stad in. Opnieuw ervaar ik dat ik een hele nieuwe stad zie.
    We lopen een eindje door de stad.
    We lunchen op een plek, vlak bij waar ik heb gewoond.
    Waar ik jaren lang vrijwel dagelijks liep. Fietste.
    We fietsen terug naar het huis van Els.
    Weer zie ik een totaal andere stad.
    Ja: veertig jaar verandering maakt de stad anders dan toen.

    En toch.
    En toch. 

    Het zijn niet die veranderingen die alles anders maken.
    Ik ervaar de stad totaal anders.
    Wat het anders maakt, is dat ik voluit van de stad geniet.
    Ik voel me verbonden.
    Verbonden met mezelf.
    Verbonden met m’n omgeving.
    Dat maakt echt alles anders!