Poly-ruptuur, multiple-trauma

Steeds opnieuw gaat het thema ‘Een kind dat een ouder verliest door de dood, verliest veel meer dan alleen die ouder’ door me heen. Als een soort van mantra: ‘een kind dat een ouder verliest door de dood, verliest veel meer dan alleen die ouder’. Het kind verliest ook veiligheid. Continuïteit. Geestelijke geborgenheid. Vertrouwen.

Zelf geef ik de voorkeur aan het gebruik van het woord ruptuur (snede, scheur) in geval van jong ouderverlies boven – of liever gezegd: voorafgaand aan – gebruik van het woord trauma (wond). Van het ene op het andere moment raakt het kind afgescheiden van de overleden ouder. Onomkeerbaar. Raakt het kind afgescheiden van het leven zoals het was. Onomkeerbaar. Raakt het kind afgescheiden van zichzelf. Niet onomkeerbaar. Het leven ging door. Onmiskenbaar. Het levensveranderende verlies greep diep in. Op alle levensgebieden, en zowel in de geest, als in het lichaam van het kind. In haar/zijn hele zijn.
Bij jong ouderverlies is eerder sprake van een meervoudige ruptuur, dan van een enkelvoudige ruptuur: poly-ruptuur. Poly-ruptuur – meervoudige ruptuur – kan meervoudig trauma veroorzaken: multiple-trauma. En veroorzaakt dat bij jong ouderverlies in veel gevallen ook werkelijk.
Als het kind vervolgens wordt blootgesteld aan een veelvoud van vervolgverliezen en -transities wordt de kans op een veelvoud aan trauma’s –  multiple-trauma – groter en groter.

Steeds duidelijker ook krijgt mijn scepsis vorm ten aanzien van (een al te gemakkelijk) gebruik van EMDR. Wie niet een goede kennis heeft van, en een ruime ervaring heeft met, de levenslange invloed van de vroege dood van een ouder, doet er goed aan EMDR niet ‘zomaar’ in te zetten. Voor Verlaat Verdriet-ers, die in hun jeugd zijn geconfronteerd met poly-ruptuur en multiple-trauma, kan het gebruik van EMDR gevaarlijk zijn, en de Verlaat Verdriet-er eerder schade berokkenen dan helpen. EMDR is geen gemakkelijke en lekker snelle methode om van je trauma’s af te komen. Zeker niet als het gaat om de gevolgen van jong ouderverlies!

Morgen heb ik een afspraak met de enige persoon in Nederland die is opgeleid in het gebruik van WingWave. Wingwave is een methodiek die in Duitsland is ontwikkeld door twee psychologen. Ik ben nieuwsgierig naar deze methode. Misschien een methodiek die bruikbaar is om mee te werken met Verlaat Verdriet-ers? In ieder geval wordt Wingwave gebruikt door null in Zwitserland. Hoewel Diederika, wat Verlaat Verdriet-ers en Wingwave betreft, nog aan het onderzoeken is of de methode goed kan werken bij Verlaat Verdriet-ers en zo ja: hoe.

Ik zal het horen morgen, en er zeker verder over schrijven.

Eindelijk tijd voor ruimte?

De afgelopen vijftien/twintig jaar zijn we ongeveer letterlijk doodgegooid met aandacht voor verliesverwerken. Voor rouwen. Na lange tijden van zwijgen over de dood. Van zwijgen over gevoelens. Van de overtuiging, dat wie niet huilde bij een verlies, dat verlies ‘droeg als een man’. Flink was. Sterk was.

Daaropvolgend kwam een tijd waarin verliesverwerken een verplichting werd, gebaseerd op het lineaire vooruitgangsdenken. Je lijdt een verlies. Je verwerkt dat verlies. Je laat het verlies achter je. Je gaat door met je leven, als mooier, beter, wijzer, rijker mens. Termen als ‘gestagneerde rouw’ en ‘pathologische rouw’ werden geïntroduceerd. ‘Er niet in blijven hangen’, op straffe van minachting. Rouwdwang. Zo groot dat de term ‘rouwverwerken’  een breed geaccepteerde term is geworden. Vooruit! Flink zijn! Het leven gaat door!

Lang was men de overtuiging toegedaan dat kinderen niet konden rouwen. In mijn eigen leven – mijn moeder overleed in 1957 – heb ik mij daar veel over afgevraagd. Helaas heb ik mijn vragen nooit meer kunnen delen met mijn vader. Over mijn moeder spraken we niet meer. Niemand die het aandurfde om dat verdriet weer boven te halen. En toen ik eindelijk zover was dat ik het had gekund, leefde mijn vader allang niet meer. Wat mijn vader allemaal precies heeft gedacht: ik weet het niet. Dat mijn vader geen holbewoner was die er geen flauw benul van had hoe je met kinderen om moest gaan, dat weet ik wel heel zeker. ‘Ik hoop de kinderen hiermee een trauma te hebben bespaard’ motiveert hij in nagelaten geschriften zijn besluit om mij (acht jaar) en mijn drie jaar jongere broertje niet mee te nemen naar de crematie. ‘Samen met Jantje stonden jullie op de stoep en zwaaiden ons uit. Alsof het een hele gewone dag was’.

In dezelfde afgelopen twintig jaar is er aandacht gekomen voor kinderen en rouw. Veel aandacht. Heel veel aandacht. Cursussen. Trainingen. Opleidingen. Boeken. Lezingen. Symposia. Bordspelen. Enzovoort. Enzovoort. Veel belangstelling. Met name voor het sentimentele deel. Het is toch zielig, als een moeder/een vader sterft. Maar betekent dat, dat er in al die tijd ook belangstelling is geweest voor de werkelijkheid van het vroege verlies van een ouder?
In vrees van niet.
In ieder geval niet zo lang het denken over rouwen, over verlies-en verdrietverwerken, over ‘rouwverwerking’ is gebaseerd op het lineaire denken: je moet het verlies verwerken, achter je laten, doorgaan met je leven als mooier, beter, wijzer, rijker mens.

Langzamerhand zie ik – gelukkig – een verandering komen in die, op illusies gebaseerde en op prestaties gerichte, manier van denken. Er komt ruimte voor een meer realistische manier van denken over rouwen. Een manier van denken met meer werkelijkheidszin: een ingrijpend verlies maakt deel uit van je leven. Van jou. Van je levensverhaal. Eindelijk komt er ruimte om een ingrijpend verlies werkelijk een plaats te geven in je leven.

Naar ik hoop betekent dit, dat eindelijk de tijd is aangebroken die kinderen niet alleen de erkenning van de realiteit van het ingrijpende verlies van een ouder biedt, maar ook de ruimte dat verlies deel uit te laten maken van hun leven. Van hun ontwikkeling. Van hun levensverhaal.
De ruimte het verlies een plaats te geven in hun leven, zonder altijd de dwang te voelen dat er verwerkt moet worden. ‘Het moet nu maar eens over zijn’.  ‘Je moet toch verder met je leven.’ Of – erger nog – de quasi begripvolle opmerking: ‘Het kan in latere fasen van het leven weer opspelen.’

Zodat je als kind de ruimte krijgt die je nodig hebt. Dus ook de ruimte om ongetwijfeld goedbedoelende en/of daarvoor opgeleide ‘helpers’ af te wijzen. En de ruimte om te kunnen zeggen ‘ik heb er geen last van’.  Ook al is dat niet de waarheid.
En je als volwassene – eindelijk – de tijd en de ruimte krijgt die je nodig hebt om aandacht te geven aan het vroege verlies van je ouder. Op momenten dat je dat nodig hebt. Zonder oordelen dat je in ‘arme ik’ blijft hangen.

Meer lezen

Tijdsfactoren

David Grossman
Uit de tijd vallen
ISBN: 9789059363632

Mislukt

Regelmatig ontmoet ik in mijn werk Verlaat Verdriet-ers die vast zijn gelopen in hun werk.
Ze voelen zich mislukt.

Ik herken hun gevoelens daarover als de mijne. Al is dat wat mij betreft lang geleden. Ooit gaf ik les. Stond ik voor de klas. Hoewel ik de eerste jaren met heel veel plezier werkte op ‘mijn’ hele kleine schooltje – gelegen in het bos – groeide in de loop van de jaren wel het gevoel: ‘dit is niet mijn werk. Ik wil dit eigenlijk helemaal niet.’ Maar wat wilde ik dan wel? Ik had geen idee. Wat kon ik eigenlijk? Ik had geen idee. Naarmate de jaren verstreken verzandde ik meer en meer in mijn werk. Tot ik het gevoel had geen kant meer op te kunnen. Vastgelopen in mijn werk. Vastgelopen in mijzelf. Dit wilde ik niet langer. Maar wat dan wel? Ik had geen idee. Voelde me totaal mislukt. De dag waarop ‘mijn’ kleine schooltje werd gesloten, en ik op straat kwam te staan zonder werk, voelde als een bevrijding. Maar tegelijkertijd ook weer niet. Ik was totaal opgebrand. Draaide maanden en maanden (of eigenlijk, om helemaal eerlijk te zijn: jaren en jaren) om me zelf heen. Ik was een zombie in mijn eigen leven geworden. Dat was eigenlijk het enige wat ik nog was: een zombie. Mislukt. Zonder doel. Zonder perspectieven.

‘Ik voel me mislukt’ klinkt mij dus erg bekend in de oren als ik het een Verlaat Verdriet-er weer hoor zeggen. ‘Het werk dat ik heb gedaan – ook al was ik succesvol in dat werk – wil ik niet meer doen. Maar wat dan wel?’

Veel heb ik nagedacht over die gevoelens van mislukt zijn, met name met betrekking tot werk. Hoe komt het toch dat zoveel Verlaat Verdriet-ers daarin terecht komen? Waar komen die gevoelens vandaan? Waar zijn ze op terug te voeren?

Voor een groot gedeelte zijn ze – mijns inziens – terug te voeren op het feit dat Verlaat Verdriet-ers, als gevolg van de vroege dood van hun ouder, als het ware uit zichzelf zijn gevallen. Ze pasten zich aan de veranderde omstandigheden aan. Raakten zichzelf en hun eigen doelen kwijt. Ze maakten (opleidings- en beroeps)keuzen vanuit hun aangepaste Zelf, niet meer verbonden met hun oorspronkelijke Zelf. Ze lopen vast in hun werk. Ook als ze dat werk met (groot of minder groot) succes uitvoeren.

Bij een (groot) aantal Verlaat Verdriet-ers begon het proces van aanpassen al veel eerder dan vanaf het moment dat de ouder overleed. Dat zijn de Verlaat Verdriet-ers die een – fysiek of psychisch – langdurig zieke ouder hebben gehad. Deze kinderen pasten zich aan de situatie aan, die voortkwam uit de ziekte van de ouder. In sommige gevallen een situatie die bestond vanaf hun allervroegste jeugd. Ze kregen onvoldoende pedagogische voeding en onvoldoende ruimte om zich vrij te ontwikkelen. De langdurige ziekte van de ouder bleek niet alleen de sluipmoordenaar van de ouder, maar ook een kracht die de eigen kracht van het opgroeiende kind vervormde, soms misvormde. Het kind kreeg onvoldoende kans om geestelijk te groeien. Soms lijkt de sluipmoordenaar van de ouder ook het Zelf in het kind gedood te hebben (wat niet waar blijkt te zijn!). Deze Verlaat Verdriet-ers willen zo graag presteren, maar hebben geen idee hoe je het moet doen: je eigen doelen stellen. Je eigen doelen halen. Ze hebben de ouder gemist die ze bij de hand nam. Die tegen ze zei: ‘Je doet het goed. Doe nog maar een stapje.’ Ze kunnen niet voldoen aan eisen die worden gesteld. Trekken zich terug in zichzelf. Voelen zich mislukt.

Nog een aspect van gevoelens van mislukt zijn moet hier genoemd worden. Een onzichtbaar, maar groot en venijnig aspect.
Kinderen die een ouder verliezen proberen op alle mogelijke manieren de verstoorde situatie weer in balans te brengen. Ze gaan zorgen voor de overgebleven ouder. Ze gaan zorg dragen voor broertjes en/of zusjes. Ze doen verschrikkelijk hun best. Ze passen zich aan. Ze gaan geven, in plaats van hun oorspronkelijke kind-recht: te mogen leren ontvangen. Ze gaan op hun tenen lopen. Of trekken zich helemaal terug om geen (over)last te veroorzaken. Gaan presteren. Raken overbelast. Maar hoe hard ze ook hun best doen: het lukt ze niet de balans waarnaar ze zo verlangen te herstellen. Het wordt niet beter. En wat ze ook doen: het wordt niet opgemerkt. Of, als het al wordt opgemerkt: dan nog krijgen ze niet de waardering voor de inspanningen die ze leveren waar ze naar verlangen. Ze worden niet voldoende op waarde geschat.
Deze Verlaat Verdriet-ers leggen in hun latere leven de lat vaak verschrikkelijk hoog. Ze stellen hoge eisen aan zichzelf. Eisen waar ze niet aan kunnen voldoen. Ze gaan maar door en door. Maar ondanks alles – ook ondanks het feit dat ze mogelijk wel succes hebben in hun werk – dragen ze vaak het gevoel in zich: ‘Ik ben mislukt’.

Het potlood & de voetafdruk

Zaterdagochtend bel ik Margreet om te vragen of ze akkoord gaat als ik een Blog schrijf over het telefoongesprek dat we eerder deze week hebben gehad over null.

‘En nu nog wat’, zegt Margreet. ‘Ik vind het vaak zo verschrikkelijk moeilijk om andere mensen uit te leggen wat het vroege verlies van mijn moeder met mij heeft gedaan. Die kanker van jou ……’

Ik val Margreet in de rede en roep meteen: ‘o ja – die kanker kwam gisteren ook in mijn sessie met de psycho-therapeut aan de orde. Drie keer kanker gehad, maar het staat niet in verhouding tot wat de dood van mijn moeder bij mij teweeg heeft gebracht. Weet je – die kanker, hoe erg en vervelend en moeilijk en ingrijpend ook: het heeft me wel de gelegenheid gegeven om in beweging te komen. Om te handelen. Om besluiten te nemen over mijzelf. In dat perspectief heeft die drie keer kanker ook iets inspirerends voor me gehad. Iets bevrijdends. Het ging over mij en ik kon er wat mee doen.’ 

‘Maar zeg nou nog eens hoe het voor jou zit’, dringt Margreet aan. ‘Ik wil het gewoon weten. Waar kun je het mee vergelijken. Hoe maak je duidelijk hoe groot het is. Zoals je een potlood naast een voetafdruk kunt leggen, waardoor je kunt zien hoe groot die voetafdruk eigenlijk is, zeg maar.’

‘Drie keer kanker kan niet in de schaduw staan van wat het verlies van mijn moeder in mij en in mijn leven teweeg heeft gebracht’, beantwoord ik de vraag van Margreet. ‘Het komt er niet eens in de buurt.’

Oud patroontje, leef je nog? (2)

Experience-based Verlaat Verdriet-werk heeft grote voordelen. Wie beter dan wijzelf – Verlaat Verdriet-ers – is in staat de levenslange invloed van de vroege dood van een ouder te benaderen vanuit de ervaringen van het kind van toen en betekenis te geven vanuit de ervaringen van de volwassene van nu?

Maar: experience-based Verlaat Verdriet-werk heeft ook z’n kwetsbare kanten. Eén van die kanten ervaar ik sinds enige tijd ook weer zelf. Mijn eigen fysieke ervaring. Een even kwetsbare als invloedrijke kant van overleven. Gebeurtenissen van buitenaf waar ik geen invloed op heb gehad – waar ik bij betrokken ben, maar feitelijk niet in betrokken ben – heeft mijn hele fysieke overleef-systeem diep geraakt en (weer eens) op alert gezet.
Ik zit er weer midden in. Gevoelens van machteloosheid hebben het systeem – mijn systeem – weer helemaal in gang gezet. Ik zit weer in een fysiek overleef-systeem dat totaal is gericht op overleven.

Bijzonder evenwel aan deze staat van paraatheid – zoals die zich nu bij mij voordoet – is: omdat de kwestie die speelt in wezen niet over mij gaat en ik geen verantwoordelijkheden heb in de ontstane situatie, (de gevoelens van machteloosheid zijn er niet minder om, integendeel) zit ik er niet alleen middenin, maar kan ik tegelijkertijd ook als buitenstaander de verschijnselen die zich in mij afspelen observeren. En dat is heel anders dan vroeger. Een groot deel van mijn leven heb ik in deze overleefstand doorgebracht. Met alle fysieke gevolgen van dien. Geconfronteerd met de gevolgen, maar me al die jaren totaal niet bewust van de oorzaak: het vroege verlies van mijn moeder.

‘Ik ben weer een gesloten systeem geworden’ realiseerde ik me een paar dagen geleden. ‘Uitsluitend gericht op overleven’. Ik heb geen eetlust. Ik kan wel klussen of werkzaamheden doen die dicht bij me liggen, maar ‘uitreiken’ kan ik niet. Mijn lijf is supergevoelig voor invloeden van buitenaf – bij het minste of geringste schiet m’n lijf weer in staat van hoogste paraatheid. Plannen maken: lukt niet. Initiatieven nemen: lukt niet. Toekomstgericht denken: lukt niet. Concentreren: lukt niet. Mijn geheugen heeft gaten. Ik kan soms helemaal niet op woorden komen. De regulatie van mijn lichaamstemperatuur is in de war, mijn voeten vaak koud. Mijn darmen werken niet normaal.

Ook anders dan vroeger ben ik nu niet alleen lijdend voorwerp (de overleefstand is over het algemeen geen prettige fysieke ervaring, dat weet je wellicht zelf als de beste), mijn lijf is nu ook mijn eigen studie-object. Wat gebeurt er allemaal? Hoe reageert mijn psyche? Wat doet mijn lijf? Hoe voel ik me? Wat heb ik nodig? Wat is niet goed voor mij? Welke processen spelen zich af? In welke volgorde? Heb ik daar invloed op? Zo ja: welke invloed? Zo nee: wat kan ik dan wel doen?

’s Ochtends bij het wakker worden weet ik het ineens. Ik – het gesloten systeem – heb het nodig om te spuien, te spuien, te spuien. Ik bel de psycho-therapeut met wie ik er al menig sessie op heb zitten en kan op korte termijn een afspraak maken. We starten de sessie met spuien, spuien, spuien. En dan, na een klein uur, zijn we bij de kern aangekomen. In mij blijkt nog altijd een klein meisje van acht te zitten (mijn moeder stierf toen ik acht was) dat doodsbang is voor de volgende klap – een nieuwe ruptuur.

‘Kun je aanvaarden dat er een klein meisje in je zit dat doodsbang is?‘, vraag M., de therapeut. ‘Nee’, zeg ik meteen. ‘Dat meisje is al groot. Die redt zich heus wel.’

‘Kun je aanvaarden dat je niet kunt aanvaarden dat er een klein meisje in je zit dat doodsbang is, terwijl je weet dat dat kleine doodsbange meisje er wel is?’
‘Ja’, zeg ik.
Dat kan ik wel. En op hetzelfde moment vloeit er een heleboel spanning uit me weg.

‘Oud patroontje, leef je nog?’
Ja.
Dat kun je wel zeggen.

Oud patroontje, leef je nog? (1)

N.B.
Deze Blog is geschreven en geplaatst na overleg met en toestemming van Margreet. 

Donderdagavond. De telefoon gaat. Margreet. “Ik moet je iets vertellen.” Margreet heeft bij mij een aantal jaren geleden de basisworkshop Verlaat Verdriet en later het psycho-biografisch traject Heel je Leven gedaan. Nog later zijn zij en ik samen aan het werk gegaan om, vanuit Verlaat Verdriet-perspectief, een hulpaanbod te ontwikkelen voor kinderen die een ouder verliezen. Margreet is namelijk schoolmaatschappelijk werkster.

De basisworkshop Verlaat Verdriet, Heel je leven en het bijbehorende verlate rouw- en verandertraject heeft Margreet bepaald niet zonder weerstand doorlopen. “Wanneer houdt dit eens op”. “Ik wil er niet in blijven hangen”. “Slachtoffergedoe”“Zeg jij nou eens wat ik moet doen, ik heb er genoeg van.” Enzovoort. Enzovoort. Enzovoort. Maar: ondanks al deze innerlijke tegenwerking hield Margreet vol. “Het is nog steeds niet goed. En ik wil dat het goed is”.

“Je hoort het ook als het niet goed is. Dus nu bel ik je om te vertellen wat ik heb meegemaakt. Want dat is heel bijzonder. Ik wil dat je dat weet.
Ik was bij een uitvaart. Vreselijk. Een collega. Moeder. Echt erg. Maar wat tegelijkertijd heel bijzonder was: ik ben helemaal aanwezig gebleven. Helemaal. Ik weet van het begin tot het eind wie er waren en wat er gebeurde. Dat is nog nooit gebeurd. Normaal ben ik er wel, maar tegelijkertijd ben ik er ook niet.
Deze aanwezigheid heb ik echt helemaal – totaal – gevoeld. Ook met mijn lijf. En ook andere mensen hebben het gemerkt. Wat een bijzondere ervaring! Ineens was ik toegankelijk. Kon ik vertellen dat ik ook jong mijn moeder heb verloren. Kon ik delen. Ik was werkelijk met ze in contact. Echt in contact, bedoel ik”.

“Ik wil dat je dit weet”, zegt Margreet. “Je hebt zo vaak tegen me gezegd dat er een moment zou komen waarop ik een omslag zou ervaren. Ik heb je altijd aangehoord en gedacht: daar heb je d’r weer. Het zal wel. Titia, als jij blijft zeggen: het komt, maar je kunt niet zeggen wanneer en hoe, wat heb ik er dan aan? En nu, op een moment dat ik er totaal niet op rekende – en eigenlijk helemaal niet bezig was met mijn eigen Verlaat Verdriet – nu was het er ineens. En ja, er zullen heus wel weer momenten komen waarop ik twijfel. Waarop ik baal. Waarop ik me rot voel. “Oud patroontje, leef je nog?” Maar hoe dan ook: dit heb ik ervaren. Dit vergeet ik nooit meer”!

Zelf heb ik groot plezier om Margreet’s spontane vondst: Oud patroontje, leef je nog? Mooie titel voor een boek! Maar vooral verheug ik me om wat Margreet nu is overkomen. Het is voor Verlaat Verdriet-ers soms (en eigenlijk vaak) moeilijk vertrouwen te hebben en vertrouwen te houden in het verlate rouw- en veranderproces bij Verlaat Verdriet. Dan voel ik me wel eens een beetje met lege handen staan. Want wat zeg je eigenlijk als je tegen iemand zegt: “ook voor jou komt zo’n moment. Ik kan je alleen niet vertellen wanneer en hoe. Maar het komt. Als jij jouw bijdrage levert aan de voorwaarden. Het komt!”

En wat ook zo prachtig is aan deze ervaring van Margreet: ze belt me op. Ze deelt haar ervaring met mij! Zie je wel – ook al leven je oude patronen nog: er kunnen al nieuwe ontstaan. Zoals bellen om te delen. Ook dat is Verlaat Verdriet-werkelijkheid!

 

Bijnierwerking (4)

Vanochtend had ik een gesprek met Jaap Spruit uit Ermelo. Jaap is zowel klinisch psycholoog als fysiotherapeut. Het contact met Jaap kwam tot stand via Pauline. Pauline heeft in de afgelopen jaren een aantal keren deelgenomen aan Verlaat Verdriet-activiteiten. We hebben altijd contact gehouden, al zien en spreken we elkaar niet vaak.

Jaap Spruit heeft zich toegelegd op stress-preventie. Bijnierwerking is daarin één van zijn kennis- en aandachtsgebieden.
Juist die focus maakte het voor mij interessant om contact met Jaap op te nemen. Zelf ben ik er namelijk – ook uit eigen ervaring – van overtuigd dat de werking van de bijnierschors (en andere hormoon-producenten) een hele grote rol speelt in het fysieke welbevinden – of juist niet welbevinden – van mensen die in hun jeugd een ouder verloren door overlijden. Onveiligheid kwam toen in de plaats van de veiligheid die er tot aan de dood van de ouder was geweest. Een ongewisse toekomst kwam in de plaats van de continuïteit en de vanzelfsprekendheid die er waren. Eenzaamheid kwam in de plaats van geestelijke geborgenheid. Machteloosheid kwam in de plaats van het vermogen tot handelen. Overleven kwam in de plaats van leven.

De grote invloed die processen in je lijf uit oefenen op je dagelijkse leven – en die ‘zelfstandig werken’, dus zeker niet altijd aangestuurd door je bewuste, je verstandelijke of je rationele deel – heb je lang niet altijd in de gaten. “Ik zit er weer middenin, zonder dat ik het aan zag komen. Maar hoe kom ik hier nu weer uit?” hoor ik Verlaat Verdriet-ers vaak verzuchten.

Het gesprek van vandaag was een kennismakings- en verkenningsgesprek. Hoe we verder gaan, weten we nog niet. Of we mijn kennis van Verlaat Verdriet-thematiek kunnen en willen koppelen aan de kennis die Jaap Spruit heeft ontwikkeld op het gebied van stress-preventie gaan we verder onderzoeken.

Ik houd je via blog-post op de hoogte van deze ontwikkelingen.
Lees mee, en deel jouw ervaringen en jouw inbreng in deze met Jaap en mij, zodat we meer kennis en een adequaat hulpaanbod voor Verlaat Verdriet-ers kunnen ontwikkelen.

Wil je dat zien?

De levenslange invloed van de vroege dood van een ouder manifesteert zich in veel gevallen op alle levensgebieden van Verlaat Verdriet-ers. Dus in

Relaties

Gezondheid

  • Geestelijk
    • Veel Verlaat Verdriet-ers ondervinden psychische – geestelijke – problemen als gevolg van de vroege dood van hun ouder. Je leest daarover meer in Kernthema’s en kenmerken. Verlaat Verdriet-ers zijn nogal eens gevoelig voor depressies, verslavingen en suïcide-gedachten.
  • Lichamelijk
    • Veel Verlaat Verdriet-ers ondervinden fysieke problemen, bijvoorbeeld in de vorm van pijnklachten. Veel van hen zijn gevoelig voor ‘vage klachten’. Verlaat Verdriet-ers zijn nogal eens gevoelig voor diverse vormen van verslavingen, met name voor verslavingen die direct fysiek effect hebben. Zoals alcohol en drugs.
  • Geestelijk & lichamelijk
    • Een lichaam – een systeem – dat gewend is ‘in de overleefstand te schieten’ zodra zich gevoelens van onveiligheid en/of machteloosheid aandienen, raakt gemakkelijk in die overleefstand overbelast (of raakt overbelast door fysieke signalen te negeren en maar door te gaan). Verlaat Verdriet-ers zijn als gevolg daarvan gevoelig voor burn-out. Ongeacht de opvatting dat burn-out uitsluitend werk-gerelateerde problematiek zou zijn.

Werk

Ook in werk manifesteren zich vaak en veel gevolgen van jong ouderverlies.

Wil je dat zien?

Een kind dat een ouder verliest, verliest veel meer dan alleen die ouder. Het verliest ook de vertrouwde en veilige infrastructuur van het gezin. Vanaf dat moment zit het verlies voor het kind overal in: in het gezin, in de relaties, in de familie, in de dagelijkse gang van zaken. Ook al lijkt het leven gewoon door te gaan, en ook al lijkt het kind gewoon door te gaan: niets is meer zoals het was. De dood van de ouder heeft alles veranderd. Op alle levensgebieden. Het kind moest – zo goed en zo kwaad als dat ging – zich aanpassen en doorgaan met leven. De retorische vraag: je kunt toch niet alles in je leven ‘daar’ aan op hangen kan dus eigenlijk volmondig worden beantwoord met JA. Alles in je leven kun je daar aan ophangen. De vraag is alleen: wil je dat zien?

Erkennen

Een succesvol verlaat rouw- en veranderproces staat of valt met die erkenning: de levenslange invloed van de vroege dood van een ouder manifesteert zich op alle levensgebieden.

Verwerken & helen

Erkennen is een voorwaarde om een verlaat rouwproces aan te kunnen gaan. Na de erkenning Ja, alles in je leven kun je ophangen aan de vroege dood van je ouder volgt de vraag: echt alles? Wat dan wel en wat dan niet? En: wil je dat dat zo blijft? Of wil je daar verandering in brengen door het proces van verwerken & helen aan te gaan?

Herinneringsboek

Bericht van Inge

Wil je ook je verhaal delen?

Nadat ik de vriendinnen van mijn moeder weer had gezien en gesproken, kreeg ik van hun diverse foto’s. Foto’s van mijn moeder toen ze jonger was en foto’s van de tijd dat ik al geboren was. Tevens was ik bij mijn vader thuis door de bak met dia’s heen gegaan, ik zocht naar dia’s met mijn moeder en naar dia’s van mijn moeder samen met mij.

Van deze dia’s heb ik bij de fotograaf een afdruk laten maken. Elke keer als ik met een stapeltje dia’s naar de fotograaf ging, was ik blij als ik ze een week later weer kon ophalen, alsof ik steeds een heel kostbaar bezit weg bracht en blij was dat ik het weer terug had. Uiteindelijk had ik heel wat foto’s. En ik moet eerlijk zeggen dat ik dat helemaal niet had verwacht. Ik stopte ze in een mapje en dat was het dan. Tenminste: dat dacht ik. Maar ik was nog helemaal niet klaar met de foto’s. Elke keer als ik dat mapje zag dacht ik: wat kan ik daar toch eens mee doen? Alsof ik er voor mijn gevoel nog iets mee moest, maar de vorm er nog niet precies aan kon geven. En achteraf bleek dat ik er zeker nog wel wat mee moest.

Ik kocht een fotoboek. Ging met alle foto’s, fotoboek, schaar en lijm aan een tafel zitten en……. Nee hoor, ik kon er niet aan beginnen. Ik wist ook niet zo goed hoe ik dan moest beginnen en waar ik moest beginnen. Waarschijnlijk bij haar geboorte? Maar stel dat ik later nog foto’s van die periode tegen zou komen, dan zou het niet compleet zijn. Meerdere malen heb ik zo aan tafel gezeten, met wel de intentie om er iets mee te doen, maar niet de inspiratie om er ook iets mee te kunnen. Ik liet het een tijdje rusten, totdat ik van onze vakantie van Noorwegen een fotoboek maakte met behulp van een scrapboek. Een scrapboek is een boek waar plastic hoezen inzitten die je in het boek van plek kan laten verwisselen. In de plastic hoezen kun je kartonnen bladen schuiven en er ook weer uit kan halen. Het is een ongeveer hetzelfde idee als insteek hoezen voor in een multomap. Toen het boek van de vakantie in Noorwegen af was, ben ik gelijk aan mijn moeders boek begonnen.

Nu had ik niet het dilemma waar ik moest beginnen, ik begon gewoon ergens en kon later altijd nog dingen ervoor of er achter toevoegen. Ik begon bij het huwelijk van mijn vader en moeder. Twee jonge mensen die er prachtig stralend uitzagen. Mijn moeder in een mooie witte jurk, mijn vader in een mooi pak met een hoge hoed. Het was bijzonder om te voelen dat ik hun blijheid overnam.

Zo begon ik met het plakken van de foto’s. Soms met een mooi randje van een ander kleurtje karton er omheen, soms met een liedje, gedichtje of plaatje erbij. Steeds wat ik dacht wat erbij hoorde. Elke keer als ik een gedeelte klaar had, kreeg ik de drang om het aan mijn moeder te laten zien. Dat was raar om te ervaren. Steeds bedacht ik me, o nee dat kan natuurlijk niet, net alsof ik af en toe even wakker geschud moest worden. Alsof ik er steeds bewust van moest worden dat ze er niet meer was. Alsof er altijd nog een soort van kleine hoop was. Maar juist dat was verwerken denk ik achteraf.

Soms legde ik het een tijdje in de kast. Dan was ik er weer even genoeg mee bezig geweest. Maar toch trok het elke keer weer om het op te pakken. Het boek werd steeds voller en er begon een heel levensverhaal van mijn moeder in het boek te komen. Haar geboorte, haar pubertijd, de relatie met mijn vader, de geboortes van mijn broer en mij, de families daar omheen en foto’s van haar vakanties. Tot de laatste paar bladzijden. Het was een mooi boek geworden, maar ook haar ziekte en overlijden hoorde bij haar leven.

Ik had een paar foto’s van mijn moeder van toen ze ziek was. Ze zat in de tuin met een pruik op haar hoofd. Mijn vader hing de was voor haar op en op de tafel waar ze aan zat stonden alle spullen die ze nodig had. Niet meer in staat om die zelf te halen, omdat ze niet meer kon lopen. Ja, ook die foto’s hoorde in het boek thuis. En ook de rouwkaart en het bedank-kaartje plakte ik erbij. En op de één na laatste pagina plakte ik een foto van mijn moeder en mij bij mijn diploma uitreiking. Dat was mijn laatste foto met haar. En een foto van mijn moeder en mijn tante en ik tussen hen in. Mijn tante waar ik op het moment dat ik het fotoboek maakte heel veel steun bij vond. Op de allerlaatste pagina plakte ik een brief die ik een paar jaar later aan mijn moeder schreef: Brief aan mijn hart.

Toen was het boek aardig compleet. Ik pakte het regelmatig even om erin te kijken. In eerste instantie voelde ik niet zoveel bij de foto’s. Ik zag mijn moeder en mijzelf, maar voelde niet echt van binnen dat het ook echt bij mij hoorde. Net alsof ik mijn gevoel niet helemaal goed kon plaatsen tussen de foto’s en mijzelf. Maar naar mate ik verder in proces kwam, kwam er steeds meer ruimte voor de foto’s. Kon ik zien hoe haar leven was en kreeg haar hele leven door de foto’s een gezicht. Mijn gevoel kwam weer terug in de foto’s. Het boek is echt van mijn moeder en mij. Ons onderonsje noem ik het ook wel eens. Zo kon ik nog even rondneuzen in haar leven. En haar leven via de foto’s in beeld brengen. Soms voeg ik nog wel iets toe aan het boek. Iets eruit halen, kan ik bijna niet.

Het was echt fijn om het boek te maken. Fijn om op die manier met mijn moeder bezig te zijn. Het was mooi dat ik de tijd daarvoor genomen heb. Maar ook fijn dat ik mezelf de gelegenheid gaf om het op zijn tijd ook even weg te leggen. Door het boek is mijn moeder weer een stukje dichterbij mijn komen te staan. Ze is een soort van terug in mijzelf.

Inge (38), 16 jaar toen ze haar moeder verloor

Gebonden & verbonden

Verlaat Verdriet-ers hebben in veel gevallen wel geconstateerd dat de overgebleven ouder voor een deel met de overleden ouder mee is gestorven.‘Mijn vader/mijn moeder leefde als een geamputeerd mens verder’.

Dat ze zelf ook voor een deel met de ouder zijn mee gestorven, realiseren ze zich vaak veel minder goed. Ook een deel van hun Zelf raakten ze in veel gevallen kwijt – ook wel zielsverlies genoemd. Ze raakten afgescheiden – niet alleen van hun ouder, maar ook van zichzelf.

In plaats van verbonden te zijn met hun ouder via vanzelfsprekendheid, zorg en liefde raakten ze gebonden aan de ouder via gevoelens van pijn, verdriet en boosheid, die ze zo ver mogelijk weg stopten. In veel gevallen raakten ze gebonden aan de ouder via angst: als ik maar niet erfelijk ben belast.

Hoe verder de ouder in de loop van hun leven uit hun leven verdween, hoe kleiner de verbondenheid werd, en hoe groter – in veel gevallen – de gebondenheid werd. Zeker in gevallen waarin sprake zou kunnen zijn van erfelijke belasting – bijvoorbeeld voor depressie of voor suïcide-gevoelens. Angst kwam in de plaats van liefde. Via de angst raakten ze gebonden aan hun ouder, in plaats van via liefde verbonden te zijn.

Als deze angst zich voordoet bij jou, onderzoek dan eens je bereidheid om deze angst onder ogen te zien. Onderzoek ook je bereidheid om je opnieuw – in liefde – aan je overleden ouder te verbinden. Het Verlaat Verdriet (Ver)Werkboek (hoofdstuk 7: Je overleden ouder en Hoofdstuk 8 Je overleden ouder en jij) ondersteunt je in deze zoektocht.